Brieven

Wettelijke of testamentaire erfgenamen

Ook Rijksoverheid was onmenselijk tegen teruggekeerde Joden

Niet alleen het Amsterdamse en het Haagse gemeentebestuur zijn na de Tweede Wereldoorlog immoreel opgetreden tegen teruggekomen Joden of erfgenamen van vermoorde Joden (NRC 1 maart). Ook de Rijksoverheid heeft zich van een onmenselijke kant laten zien.

Bij overlijden golden de wettelijke regels van erfopvolging, tenzij bij testament een andere erfgenaam was aangewezen.

Als echter de wettelijke of testamentaire erfgenamen waren overleden wanneer de erfenis openviel, vond er plaatsvervulling plaats door hun kinderen, etc. Dat ging door tot en met de 6e graad. Daarna verviel de erfenis aan de staat.

De meeste Joodse families waren echter vermoord tot en met die 6e graad. De eerste regering na de oorlog verlengde de regeling daarom tot en met de 12e graad. Echter, wanneer een erfgenaam nog leefde wanneer de erflater overleed was successierecht (erfbelasting) verschuldigd, en zo verder bij plaatsvervulling.

De regering vond het daarom van belang dat de volgorde van overlijden van alle erfgenamen, tot de 12e graad, werd vastgesteld.

De notarissen, die allen een deel van de openliggende Joodse erfenissen hadden toegewezen gekregen om af te wikkelen, moesten daarvoor dikwijls naar SHAEF (Supreme Headquarters Allied Expeditionary Forces) en het Internationale Rode Kruis in Brussel, om de volgorde van overlijdens vast te stellen.

Wanneer een erflater en zijn erfgenaam tegelijk omkwamen, gold dat als één overlijden. Anders moest twee keer erfbelasting worden betaald.

Dat ging zó ver dat wanneer de man om 10.00 uur ’s ochtends was vergast en zijn vrouw op diezelfde dag om 17.00 uur, zulks niet als één overlijden werd gerekend. Er werd dan om te beginnen al twee keer erfbelasting geheven, van man naar vrouw en van vrouw op de volgende erfgenaam en zo maar door.

Met dank aan de keurige Duitse administratie. Bij iedere vererving werd het belastingtarief hoger, en de belastingvrije voet lager. Wanneer je dan uiteindelijk een erfgenaam in een verre graad had gevonden, was meestal het oorspronkelijke erfdeel al vrijwel geheel wegbelast en door kosten ingeteerd.

De regering had dat zo geregeld omdat ze de Joden niet te veel een ‘bijzondere behandeling’, wilde geven, uit angst voor het sterker worden van het antisemitisme dat tijdens en door de bezetting toch al groter was geworden dan vóór de oorlog – ook een nauwelijks bekend feit.

Mijn vader was na de oorlog werkzaam in het notariaat, en alhoewel hij conservatief en wetsgetrouw was, walgde hij van deze regeringsmaatregel die hij mede moest uitvoeren.

Het zou goed zijn als ook dit onrecht, door de regering aangedaan – waarbij het notariaat overigens geen schuld trof – zou worden erkend.

Immers, de meeste Joden zijn dikwijls niet langer dan één dag of één week erfgenaam geweest voor ze zelf vermoord werden, en ze zijn, net als bij die erfpacht, in de kampen nooit in het ‘genot’ van hun erfenis geweest.

Correcties & aanvullingen

Richter

In het artikel Richter tovert verf om in geld (22/3, p. C12-13) zijn kolommen verwisseld. De eerste kolom sluit aan op de derde. Op de vierde kolom volgt de tweede. Op nrc.nl/cultuur staat het artikel zoals het hoort.

    • O.L.E. Jongmans