Promoot de krant Wilders niet, met die overdreven aandacht?

Spijkenisse heeft er lang op moeten wachten, maar The New York Times ís gekomen. Ja, omdat Wilders kwam. Het bezoek van de PVV-leider was groot nieuws – voor journalisten. Hier en daar dreef een wolkje gewoon mens langs.

Het is een inmiddels vertrouwd verschijnsel, waar sommige lezers zich aan storen. „Stop hiermee!”, riep een briefschrijver donderdag uit. Bedoeld was: met het „dagelijks promoten” van Wilders. Steen des aanstoots was een stuk waarin 4.000 tweets van de PVV-leider werden geanalyseerd. Enkele lezers ergeren zich ook aan het voorpaginanieuws over het lek in zijn beveiliging en aan het Commentaar waarin hij er prompt van werd beticht dat lek te misbruiken voor electoraal gewin.

Die irritatie (geen tsunami, overigens) heeft ongetwijfeld te maken met de nu eenmaal uitzonderlijke politiek-strategische positie van Wilders, die zijn parlementaire omgeving nep vindt, rechters en de media nep vindt, en die vooral zendt, maar zelden in debat gaat of interviews geeft. Fascinatie met het fenomeen neemt dan al snel, noodgedwongen, de plaats in van reguliere verslaggeving, die over de PVV ook alleen maar met grote vasthoudendheid en vakmanschap mogelijk is.

Dus nee, de krant moet niet de agenda van Wilders bevorderen door, bijvoorbeeld, voeding te geven aan zijn apocalyptische visioen van een islamitische ‘bezetting’ van Nederland. De onrust daarover, vaak aan de hand van incidenten, is óók een media-effect.

Maar een krant die verkiezingen als democratisch ijkpunt serieus neemt, moet uiteraard een campagne waarin de beweging van Wilders op kop lijkt te gaan wél verslaan en analyseren – óók als de koploper zichzelf aan de media onttrekt. Temeer omdat Wilders geen ‘normale’ politicus is maar een radicale, wiens belofte van revolte bij een deel van de kiezers een snaar raakt.

Nu brengt de krant een reeks uitvoerige interviews met lijsttrekkers, een keus uit ‘uitdagers’ en ‘machthebbers’. Bij die interviews zou dan natuurlijk ook de lijsttrekker van de PVV horen. Maar die wil niet door NRC geïnterviewd worden – dus dat zit er gewoon niet in.

Om lezers toch een idee te geven van de manier waarop het enige echte lid van de PVV campagne voert, kwam er dat stuk over zijn 4.000 tweets. Het was informatief, al leverde het niet veel nieuws op voor wie Wilders de laatste jaren heeft gevolgd. Maar het is een nuttig onderdeel van campagneberichtgeving, en geen teken van „ongezonde Wilders-fixatie”. Sterker: je zou over de moderne campagne, voorbij televisie en zaaltjes, wel meer willen lezen.

Zelfs de opzienbarende primeur van Marcel Haenen over het lek in Wilders’ beveiliging stuitte op protest van een enkele lezer, want: gratis reclame, en bovendien, wat was er nu helemaal aan de hand? In tweede instantie liet de politie immers weten dat geen informatie was gelekt naar een criminele organisatie, maar „in de privésfeer”.

Nog afgezien van de vraag hoe de politie hier over heeft gecommuniceerd, het is en blijft natuurlijk groot nieuws dat er gaten zitten (het bleek uiteindelijk te gaan om drie bewakers) in de beveiliging van een politicus die op de dodenlijst van Al-Qaeda staat.

Andere lezers maakten bezwaar tegen het retorische klapstuk van de week, het hoofdredactioneel commentaar dat Wilders er in de kop van beschuldigde „misbruik’’ te maken van het beveiligingslek. Voorspelbaar gevolg: de ketel met haat tegen NRC die sinds 2002 en Fortuyn her en der op het vuur staat, kookte weer flink over. „Walgelijk” was nog het minste verwijt dat ik online tegenkwam. Opvallend: het stuk werd direct prognostisch geframed als een virtuele aanslag op de politicus („de kogel komt van NRC”), een reprise van de ophef over het geruchtmakende Commentaar uit 2002 dat Pim Fortuyn de maat nam – door fataal toeval gepubliceerd op de dag dat hij werd vermoord.

Wilders zelf haalde – uiteraard op Twitter – Trumpiaans uit naar de „zieke geesten” en „lowlife” van NRC, met de hashtag #NRC wegermee. (Wie weet dacht de voormalige newwavezanger uit Venlo niet alleen aan Trump, maar ook even aan Lou Reed, die journalisten eens, in een overigens alleraardigst interview met een nerveuze verslaggever, „the lowest form of life” noemde.)

Je kunt je om te beginnen afvragen of een krant die vindt dat Wilders moet „zwijgen” over een leven-en-doodonderwerp als zijn beveiliging, daar zelf dan vermanend over moet gaan commentariëren. De beschuldigende kop (de tekst sprak voorzichtiger van een „verdenking”) maakte het erger: de krant kan wel vermoeden, maar wéét niet of hier sprake is van de boze opzet die „misbruik” veronderstelt. Wilders, die na het nieuws zijn campagne opschortte, zal ook gewoon echt van slag zijn geweest – en geef hem eens ongelijk. Dat hij zijn campagne nu heeft hervat, na de reparatie van zijn beveiliging door Defensie en/of zijn daling in de peilingen, doet daar niet aan af.

Maar vooral: het is, zacht gezegd, niet erg empathisch om een man die al zo’n 12 jaar niet in zijn eentje naar buiten of ergens naar de wc mag, in een kop zonder voorbehoud te betichten van misbruik van zijn ellendige situatie – dan kun je de reacties uittekenen.

In eerdere commentaren is ook al eens gesteld dat Wilders de beklemming waarin hij moet leven „opzichtig etaleert” en er „zelfs een partijbelang aan ontleent” – maar die op zichzelf verdedigbare vaststelling ging dan gepaard met verontrusting over Wilders’ „leven in angst”, een „ongezonde situatie die ook nog eens uitzichtloos lijkt”.

Die nuance was hier zoek. De dagmail met leescijfers stelde dinsdag niettemin monter vast dat het Commentaar opmerkelijk veel was gedeeld, dankzij de „pittige” mening. Dat zal best. Helaas ook veel door NRC-haters, vermoed ik – maar dat zal geen opzet zijn.

Reacties: ombudsman@nrc.nl