Opinie

    • Caroline de Gruyter

Niemand valt het Front National aan

Een goede kennis moest vorige week voor haar werk naar een gevangenis in Frankrijk. Ze zag er tegenop. Van gesprekken met mensen achter de tralies word je zelden vrolijk. Maar ze produceerde toch een kleine grijns bij terugkeer: „Ik heb in lange tijd mensen niet zó positief over Europa horen praten! Ze hebben nauwelijks kranten of wifi daarbinnen. Nieuws bereikt hen niet. Wat hen wél bereikt, is dat het Europese Hof voor de Mensenrechten in Straatsburg Frankrijk keer op keer op de vingers tikt wegens overvolle gevangenissen en zijn slechte behandeling van gevangenen.”

Dat Europa nog iemand hoop biedt dezer dagen mag een wonder heten. Andere Europeanen – diegenen die wel kranten en wifi hebben – krijgen dag in, dag uit slecht nieuws over zich heen. Alles lijkt een flop: Schengen, de euro, de buitenlandpolitiek. Deze projecten begonnen ooit zo veelbelovend. De verwachtingen waren zo hoog. Nu hebben weinigen er één goed woord voor over. Structuurfondsen? „Verspilling!” Europees parlement? „Corrupt!” Europese Commissie? „Arrogant!”

De eurocommissaris is een held als hij Griekenland op zijn donder geeft, maar de hel barst los als hij óns land bekritiseert. Op social media zijn legioenen burgers actief die de EU stelselmatig met de Sovjet-Unie vergelijken: ook een dictatuur die miljoenen over de kling jaagt, nietwaar.

Het staat iedereen vrij om alles wat Europees is af te kraken. In één adem door mag je als burger ook pleiten voor het opdoeken van Schengen, de euro of desnoods de hele EU. We hebben vrijheid van meningsuiting, nog wel.

Maar wat begint op te vallen, is dat zo ontzettend weinig mensen hier tegenin gaan. Behalve een haastig opgerichte ‘Operatie Libero’ geeft bijna niemand antwoord. Zelfs politici die het hier helemaal niet mee eens zijn, doen hun mond hierover nauwelijks open. Geert Wilders zegt dat hij de eurozone uit wil, en D66 voert campagne voor kleinere schoolklassen. Marine Le Pen wil de Franse soevereiniteit persoonlijk terughalen uit Brussel, en de Fransen roddelen gewoon door over Penelopegate.

Le Monde wijdde dinsdag een paginagroot artikel aan deze luide stilte. Waarom, vraagt de krant zich af, vechten alle partijen elkaar de tent uit maar valt niemand het Front National aan? In 2002, toen vader Le Pen kandidaat was, deed iedereen dat. Nu lijkt men zich er bij voorbaat bij neer te leggen dat Marine de tweede ronde haalt. Emmanuel Macron, de man van het midden die haar belangrijkste rivaal lijkt te worden, noemt dit „une défaite morale et politique complète”.

Dat Macron er ís, en goed scoort, is al heel wat. Een politicus die pleit voor een sterker Europa en uitlegt waarom dat beter is, kom daar in Nederland eens om. Maar zelfs Macron, die een gerede kans maakt om president te worden, gaat nooit in op de vraag wat het voor Frankrijk zou betekenen als het land de eurozone of Schengen verlaat.

Waarom vinden veel politici het zo moeilijk om publiekelijk te zeggen dat de Europese integratie ons vrede en voorspoed heeft gebracht? Waarom beuken ze in op de EU, terwijl ze weten dat de kern van het probleem is dat lidstaten Europese afspraken niet uitvoeren en dat zij Brusselse besluitvorming verlammen met hun veto’s? De Amerikaanse filosoof Cornel West zei eens dat er twee soorten politici zijn: thermometer-politici (die eerst de stemming peilen en dan pas zeggen wat ze vinden) en thermostaat-politici (die een visie neerleggen en ervoor gaan). Juist nu, in een roerig jaar vol verkiezingen, na Brexit en de winst van Donald Trump, zou je willen dat we wat meer thermostaat-politici hadden. Ook in Nederland.

Caroline de Gruyter schrijft wekelijks over politiek en Europa.

    • Caroline de Gruyter