Le Petit Napoleon – gevormd door de mijn en het voetbal

Raymond Kopa

Hij was klein van stuk, met ongeëvenaarde dribbels. Raymond Kopa, de geniale Franse voetballer, Braziliaan onder de Europeanen.

Raymond Kopa, altijd op zoek naar de dribbel Georges Bendrihem/AFP

Raymond Kopa, voluit Kopaszewksi, is de meest memorabele voetballer die Frankrijk heeft gekend. Nog ver voordat Michel Platini en Zinedine Zidane hun uitzonderlijke kunsten vertoonden was Kopa de Franse voetballer die tot de verbeelding sprak. In de jaren vijftig een middenvelder en buitenspeler met een even sierlijke als vloeiende dribbel, zoals men die vandaag zelden meer ziet.

Gisteren overleed op 85-jarige leeftijd de Fransman van Poolse afkomst. Le Petit Napoleon werd hij genoemd, de voetballer die op het wereldkampioenschap van 1958 furore maakte als het spirituele brein in het multiculturele Franse elftal dat als derde eindigde, achter wereldkampioen Brazilië en Zweden. Hij was de aangever die toernooitopscorer Just Fontaine (Marokkaanse-Spaans) en Roger Piantoni (Italiaans) bediende.

Kopa, die net als zijn vader werkzaam was in de mijnen rond Noeux-les-Mines (Noord-Frankrijk), werd na het WK opgenomen in het meest ideale elftal van het WK, dat door het frivole voetbal van de Brazilianen onder leiding van de jeugdige Pelé en van Garrincha en Didi werd gedomineerd. Pelé koos hem 46 jaar later als een van de honderd beste nog levende spelers. In 1958 werd hij ook uitverkoren tot de beste voetballer van Europa, als een speler van Braziliaanse stijl – altijd op zoek naar de dribbel en de individuele actie ten voordele van de aanvallers.

Met Stade Reims werd hij dankzij het football champagne van trainer Albert Batteux tweemaal Frans kampioen en bereikte Kopa in 1956 de eerste Europa-Cupfinale. Daarin werd met 4-3 verloren van Real Madrid. Het volgende seizoen schitterde hij in de schaduw van Di Stéfano en Puskas bij Real Madrid, destijds jarenlang het veruit beste elftal van Europa. Kopa was te bescheiden om echt te schitteren aan de zijde van genoemd duo. Real werd dankzij hem driemaal Europees kampioen, in 1957, 1958 en 1959, en tweemaal Spaanse kampioen, in 1957 en 1958.

In zijn biografie Mon Football (1972) vertelt Kopa over zijn jeugd: ‘Zelfs na veertig jaar herinner ik me precies die geur. De geur van het café, waar ik als kleine jongen, samen met mijn broer, voor het eerst door mijn moeder werd afgezet om af te dalen in de mijn. Het mijnwerkerscafé is mijn café geworden. Ik blijf me tot vandaag de dag een mijnwerker voelen. Ik ken niet anders en kon niets anders. En omdat de geur van het café – het rook naar lekker vlees – me deed ontwaken, wist ik altijd letterlijk hoe laat het was: vier uur in de ochtend. Elke keer als ik wakker word, waar ook ter wereld, als ik mijn ogen open, zie ik de mijn voor mij. Ik proef de geur van het café. En ik ben een beetje bang. Altijd opnieuw. Het is deze angst die mij heeft veranderd van de mijnjongen Raymond Kopaszewski in de topvoetballer Kopa. Ons huisje lag achter een mijn, een typisch citéwoninkje met een kleine tuin. Daarachter stond het stadionnetje. Het waren wat trieste woonomstandigheden, tegenover ons lagen de briques noires. Maar binnen was het altijd zeer mooi: miniatuurtjes, artistiek, zoals Polen dat kunnen. Mijn cité, mijn stad, mijn huis, het leek allemaal zwart, melancholisch, stoffig. Gelukkig was er de bal! Van mijn zesde af raakte ik erdoor gefascineerd. Zonder de mijn zou ik zonder twijfel ook een goede voetballer zijn geworden. Maar niet diegene die ik nu ben geweest. Het verklaart dat ik ben blijven vechten tegen de nederlaag. Ik gaf altijd het maximum. Zonder mijn vlucht uit de mijn naar het voetbal, was ik nog steeds Kopaszewski.’

Kopa speelde 45 interlands voor Frankrijk en scoorde daarin achttien maal. Hij wordt herinnerd als een mannetje met een breed arsenaal aan passeerbewegingen en intelligente passes. Kopa was de voetballer die na de Brazilianen Pelé, Garrincha en Didi het WK van 1958 de liefhebber deed beven van emotie. Klein maar fijn.

Guus van Holland