Help! Er is veel te veel om uit te kiezen

partijprogramma’s

Anderhalve week voor de verkiezingen is er nog geen thema dat de campagne domineert. Hoe komt dat?

Campagneposters in Utrecht. Met nog anderhalve week te gaan is slechts eenvijfde van de kiezers zeker van zijn keuze. Foto Michael Kooren/Reuters

Weet u nog niet op wie u moet stemmen? Troost u, u bent zeker niet de enige.

Slechts eenvijfde van de kiezers is – met nog anderhalve week te gaan – al helemaal zeker welke partij een stem verdient. Zo ging het ook bij de drie voorgaande verkiezingen: meer dan 40 procent van de kiezers wist in de laatste weken nog niet zeker op welke partij zij zouden gaan stemmen. In 2012 nam, zo blijkt uit het Nationaal Kiezersonderzoek, 15 procent pas op de laatste dag een beslissing. Voor de meeste kiezers begint het maken van een keuze dus nu.

Helpt de campagne daarbij? Op het eerste oog is die versnipperd. Voor de lijsttrekkers geldt: debatje hier, tv-programma daar, radio-optreden, bezoek aan een markt, ontmoetingen met burgers. Buiten het zicht van de camera’s voeren de ‘gewone’ kandidaten voor de Tweede Kamer debatten in zaaltjes in het land.

De campagne gaat over immigratie en over duurzaamheid. Over pensioenen en onderwijs. Over files en over het eigen risico in de zorg. Over meer ongrijpbare thema’s als identiteit en normen en waarden.

Geen enkel thema domineert. Net zoals geen enkele partij de richting van het debat bepaalt. Al heeft dat deels te maken met het feit dat de PVV, die volgens de peilingen lang de grootste partij kon worden, nauwelijks in openbare fora verschijnt.

In tegenstelling tot eerdere jaren vindt er bovendien ook (nog) geen tweestrijd plaats, eerder een gevecht over wie er derde zal worden. Een gevecht dat bovendien aan de tafels van talkshows wordt uitgevochten en vooralsnog niet in de grote lijsttrekkersdebatten.

Hoe anders was het vier jaar geleden. Toen had er tijdens het eerste televisiedebat van RTL al een harde confrontatie plaatsgevonden tussen Mark Rutte, Geert Wilders, Emile Roemer en de verrassing van dat debat, Diederik Samsom. In de peilingen klommen VVD en PvdA omhoog. De keuze leek duidelijk: rechtsom of linksom.

Ook had het debat toen een duidelijke focus: de overheidsfinanciën. Die moesten op orde worden gebracht want het begrotingstekort was te hoog. Dat vonden alle partijen. Het politieke meningsverschil ging over hoe voortvarend dat moest en met welke maatregelen: moest er vooral bezuinigd worden of moesten de belastingen omhoog?

De Europese schuldencrisis gaf het debat nog meer focus: moest er „geen geld meer naar de Grieken” (Rutte) of was het tijd voor „het eerlijke verhaal” dat er toch meer geld naar de Grieken zou gaan (Samsom)?

In tegenstelling tot wat je zou verwachten, is over fors bezuinigen in de regel makkelijker overeenstemming te bereiken dan over uitdelen. Die wijsheid hoor je van politici die vaker hebben onderhandeld om een (gelegenheids)coalitie te vormen: het speelveld is bij bezuinigen simpelweg veel kleiner. Fors bezuinigen kan maar op een beperkt aantal posten, waaronder sociale zekerheid, gezondheidszorg, onderwijs, defensie en de overheid zelf. Bij uitdelen – zoals nu – kan van alles: van de bescherming van koraal tot aan een fiscaal douceurtje voor motorrijders.

Verfrissend verschillend

Anders dan de openbare optredens doen vermoeden, valt er daarom nu meer te kiezen dan in 2012. Zoals ook Laura van Geest, directeur van het Centraal Planbureau (CPB), zei bij de presentatie van de doorrekening van de partijprogramma’s. Van Geest zag „forse onderlinge verschillen” tussen de elf onderzochte partijen. Van Geest: „In 2012 domineerden de bezuinigingsvoorstellen, nu draait de economie beter en opteren partijen weer voor geld uitgeven. Ieder stelt daarbij eigen prioriteiten.”

Het verfrissende is dat partijen zeer verschillende visies presenteren op wat voor land zij willen. Hun programma’s bevatten een rijkdom aan informatie – voor wie de moeite neemt ze allemaal door te lezen, van het ene A4je van de PVV tot de 167 pagina’s van D66.

Lees ook: NRC-programmawijzer: dit staat in de verkiezingsprogramma’s

De analyse dat Nederlanders onzeker zijn over de toekomst maken veel partijen. Sommige zien in de toestroom van nieuwkomers de oorzaak, anderen in het lidmaatschap van de EU of in de steeds flexibelere arbeidsmarkt.

De oplossingen zijn dan ook verschillend: het CDA komt bijvoorbeeld met een maatschappelijke dienstplicht om jongeren met de samenleving te verbinden, Denk wil meer acceptatie in plaats van integratie en ziet een ministerie van Acceptatie voor zich. 50Plus ziet de oplossing in het verlagen van de pensioenleeftijd naar 65 jaar. Forum voor Democratie en VoorNederland pleiten voor een vertrek uit de Europese Unie. De PVV wil dat alle grenzen dichtgaan.

Ook over het wegnemen van de groeiende onzekerheid op de arbeidsmarkt verschillen partijen fors van mening. Is de oplossing voor de groei van het aantal flexbanen een soberder en strengere sociale zekerheid (VVD) en lagere belastingen, een totale hervorming van het arbeidsrecht (D66) of het duurder of moeilijker maken voor werkgevers om mensen aan te nemen op een flexcontract (SP, PvdA, GroenLinks ).

Die talrijke visies en het gebrek aan een duidelijke tweestrijd tot nu toe maken dat de kiezer ditmaal waarschijnlijk minder een strategische keuze kan maken en zichzelf meer dan vier jaar geleden de vraag moet stellen ‘met welke partij identificeer ik me’: voor welk Nederland kies ik?

Dat is voor veel kiezers een moeilijke vraag, denkt Cok Vrooman, hoogleraar aan de Universiteit Utrecht en onderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau. Hij ziet grofweg drie gevoelsgroepen in de bevolking: de optimisten, degenen die bezorgd zijn over de toekomst (ik heb het nu goed, maar blijft dat zo?) en de pessimisten. Vrooman: „Het is lastig voor partijen om die groepen tegelijk te adresseren.”

Vooral de laatste groep heeft het zwaar. Daar komen de problemen van een lage opleiding, geen sociaal netwerk, onzeker werk of geen werk en de gevolgen van een versoberde verzorgingsstaat samen.

De middenpartijen proberen bezorgde burgers deze campagne duidelijk gerust te stellen met hun plannen. Volgens Vrooman zijn juist die kiezers sceptisch over de nieuwe zekerheden die partijen beloven. „Voor partijen die decennialang het pad van sanering van de overheidsfinanciën zijn op gegaan, is het niet eenvoudig nu te overtuigen met een plan voor meer zekerheden.”

Hij zegt dat veel versoberingen van sociale regelingen zijn verkocht door te wijzen op de financiële onvermijdelijkheid: ‘Het is een vervelend medicijn maar er is geen alternatief.’ „Nu die versobering weer terugdraaien, door bijvoorbeeld de pensioenleeftijd weer te verlagen naar 65 jaar, overtuigt niet als vanzelf. Kiezers denken snel: als de economie weer tegenzit, stijgt die leeftijd weer. Consistentie van beleid is belangrijk voor het vertrouwen in de politiek.”

De drie groepen kiezers zijn bovendien ook nog eens onder te verdelen in zes groepen die allemaal onderling verschillen in sociale positie, belangen én in hun visie op de Nederlandse samenleving.

Optimisten zijn bijvoorbeeld zowel jong en kansrijk, als mensen die al behoren tot de gevestigde bovenlaag. De bezorgde groep bestaat uit werkenden in de middenklasse én gepensioneerden die het financieel goed hebben. Op „het migratiedossier” komen volgens Vrooman al die tegenstellingen samen. Het politieke discours richt zich op diegenen die zich in de steek gelaten voelen door de politiek, maar optimisten willen een ander verhaal horen.

Vrooman zegt: „Ik heb de indruk dat dit het voor kiezers ingewikkeld maakt. Het is moeilijk om één partij te vinden die in de meeste opzichten bij je past.”

    • Marike Stellinga
    • Titia Ketelaar