Opinie

En toen hamerde de rabbijn Abeltje aan het kruis

In protestantse kinderboeken over Jodenbekering gaat het over „spugende Joden” en „gebogen neuzen”. kan niet begrijpen dat ouders deze boeken met antisemitische trekken aan hun kinderen te lezen geven.

‘Het zwarte haar en de gebogen neus geven hem een echt Joods uiterlijk.” Is dit een zin uit een negentiende-eeuws of vooroorlogs boek? Nee, het staat in De zoektocht van Lea Rachel, een protestants jeugdboek dat u vandaag bij bol.com kunt bestellen. Of rechtstreeks bij de uitgever: Den Hertog in Houten. U ontvangt dan de zesde druk, want De zoektocht van Lea Rachel is een succesvol jeugdboek. Sinds de eerste druk uit 1999 zijn er ruim tienduizend exemplaren van verkocht.

De zoektocht van Lea Rachel gaat over een dertienjarig Joods meisje, Lea Jacobson, dat dankzij christelijke buren tot de overtuiging komt dat Jezus de Messias is. Haar vader (gebogen neus, zwarte baard) heeft juist een grondige hekel aan „vuile christenen”, die hij steevast gojims noemt. Als vader Jacobson over hen praat „spuwt hij altijd op de grond”. Lea’s broer en zus verzinnen van alles om hun christelijke buren weg te pesten: het „leuke spel” gojimpakkertje. Als de buren verhuizen, maken zij een vreugdedansje. Later krijgt Lea te maken met Joodse jongens die haar mishandelen en haar bijbel verbranden, met rabbijnen die haar bedreigen en proberen om te kopen, met orthodoxe Joden die haar opsluiten en dagenlang niets te eten geven.

Volgens uitgeverij Den Hertog is het boek geschikt voor kinderen „vanaf ± 11 jaar”. Het heeft in de Boeken Top Tien jeugdboeken van het Reformatorisch Dagblad gestaan en is positief besproken („van harte aanbevolen”, „een prachtig boek”, „een aangrijpende getuigenis!”).

De zoektocht van Lea Rachel past in een lange traditie. Er zijn in Nederland tientallen jeugdverhalen over Jodenbekering verschenen. Voor mijn proefschrift, Levi’s eerste kerstfeest, verzamelde ik er tachtig: dertien katholieke verhalen uit de jaren 1890-1959 en 67 protestantse verhalen uit de jaren 1792-2015. Ze verschenen in boekvorm, in kranten, tijdschriften, als toneelstuk, gedicht en lied, vaak meer dan eens. Alles bij elkaar zijn ze in die periode ruim 220 maal gepubliceerd.

Dat er vandaag de dag in orthodox-protestantse kringen nog dergelijke verhalen worden verspreid, vind ik stuitend. Veel orthodox-protestanten voelen een grote sympathie voor het Joodse volk, dat zij beschouwen als Gods uitverkoren volk („de beminden om der vaderen wil”). Maar dit filosemitisme (,,wij koesteren de Joden’’), gaat in sommige boekjes hand in hand met verhaalelementen die je stellig antisemitisch kunt noemen.

Overigens is De zoektocht van Lea Rachel gebaseerd op feiten. De auteur, M.H. Karels-Meeuse, gebruikte als uitgangspunt een beknopt autobiografisch geschrift van Sara Meijerse (1830-1877) uit Maassluis: Gods genade in Christus verheerlijkt in de bekeering van een Joodsch meisje, door haar zelf verhaald. Maar de jeugdboekenschrijfster voegde er van alles aan toe. Zo is het curieuze gojimpakkertje een vondst van Karels-Meeuse. In Sara’s levensbeschrijving komen geen spugende Joden voor; Karels-Meeuse herintroduceerde hiermee een klassiek element uit jeugdverhalen over Jodenbekering, want in oudere bekeringsverhalen komen vaak spugende Joden voor.

Jeugdverhalen over Jodenbekering zijn geen marginaal verschijnsel: vroeger niet en ook nu niet. Van het best verkochte protestantse jeugdverhaal over Jodenbekering zijn ruim 104.000 exemplaren verkocht. Het gaat om Thirza, of de aantrekkingskracht van het Kruis. Tussen 1841 en 1931 werd dit bekeringsverhaal twaalf maal herdrukt. In 1981 verscheen een hervertelling die in 1986, na klachten van de Anne Frank Stichting, door uitgeverij Den Hertog uit de handel werd genomen (zie kader). In de decennia daarna groeide uitgeverij Den Hertog uit tot de grootste leverancier van jeugdverhalen over Jodenbekering. Tussen 1965 en 2012 publiceerde deze uitgeverij zeven van dergelijke verhalen: vier als zelfstandige titel en drie in verhalenbundels.

‘Liefde inboezemen’

Jeugdverhalen over Jodenbekering verschenen om drie redenen. In de negentiende en het begin van de twintigste eeuw hadden ze vooral tot doel „onzen jongens en meisjes liefde in te boezemen voor de zending onder de Joden”, zoals een recensent van het protestantse vakblad Jachin het in 1904 formuleerde. Daarnaast wilden de auteurs dat jeugdige lezers hun gedrag ten opzichte van Joden verbeterden (ze niet meer pesten en treiteren) en dat zij joden beter zouden leren begrijpen.

Bovenal waren (en zijn) jeugdverhalen over Jodenbekering voorbeelden voor de werking van zonde en genade. Joden worden in de verhalen afgeschilderd als zondaren omdat zij Jezus niet als de Messias erkennen. Maar álle mensen zijn zondaren, dus ook kleine kinderen. „Ook van de kinderen op de Zondagsschool geldt, dat zij een boos hart hebben, waardoor zij hun leven voor Gods aangezicht bederven en verknoeien”, schreef een dominee in 1940. Zij hebben een nieuw hart nodig, een wedergeboorte, want alleen een onverbiddelijk geloof in Jezus kan mensen zalig maken.

Christelijke jongeren door middel van jeugdverhalen begrip voor Joden bijbrengen klinkt als een sympathiek streven, maar in de praktijk kwam het erop neer dat auteurs hun lezers uitlegden hoezeer Jezus en christenen door Joden werden gehaat. Boekjes waarin dit duidelijk naar voren kwam, werden in de christelijke vakbladen positief ontvangen.

Agressie

De meeste jeugdverhalen over Jodenbekering zijn verre van subtiel – wat ze mijns inziens extra interessant maakt als historische bronnen. Zij vertellen telkens het verhaal van een Joodse hoofdpersoon – vrijwel altijd een kind – die zich tot ‘het ware geloof’ wil bekeren.

Bij de protestanten gebeurt dat meestal na bestudering van het Nieuwe Testament. Bij de katholieken is de bekering vaak het gevolg van een persoonlijke ontmoeting, bijvoorbeeld met een katholieke leek of geestelijke. Vrijwel altijd krijgt de joodse bekeerling te maken met agressie uit de Joodse omgeving: geweld en/of uitsluiting door ouders, grootouders of buren.

In verhandelingen over de criteria waaraan goede protestantse of verantwoorde katholieke jeugdlectuur diende te voldoen, wordt vanaf het begin van de twintigste eeuw opgemerkt dat christelijke jeugdverhalen bij voorkeur geen grove taal dienen te bevatten. Zij dienen geen ‘ontaarde ouders’ op te voeren en geen buitensporig geweld. Ongehoorzame kinderen werden evenmin gewaardeerd. Bij jeugdverhalen over Jodenbekering werden die richtlijnen losgelaten. Deze verhalen bevatten juist een mengeling van al deze uitwassen: scheldwoorden, excessief geweld door ontaarde Joodse (groot)ouders en Joodse kinderen die niet luisteren, maar die bijvoorbeeld in het geheim een dominee of pastoor bezoeken.

Neem bijvoorbeeld Een beker koud water, een protestants jeugdverhaal over Jodenbekering, verschenen in 1912. Het is geschreven door Ida Keller (1869-1951), indertijd in protestants Nederland een bekende en gevierde jeugdboekenschrijfster. Dit boek gaat over twee Joodse kinderen, Hetty en haar vriendje Sally, die door de grootmoeder van Hetty worden opgevoed: ze zijn in de steek gelaten door hun ontaarde ouders. Sally is blind en verlamd. Hetty leest hem voor uit het Nieuwe Testament dat zij bij toeval in handen heeft gekregen.

Als grootmoeder erachter komt dat Hetty en Sally Jezus als de Messias erkennen, gaat zij de kinderen te lijf. Zij smijt Sally een stoel in het gezicht, scheldt hem uit voor „christenhond”, „afvallige gojim” en „satanskind” en „beukt onbarmhartig (…) op den stumperd los”. Sally overlijdt een paar dagen later aan zijn verwondingen.

Hetty weet te ontsnappen maar als zij naar huis terugkeert om Sally te bezoeken, wordt zij andermaal door haar grootmoeder belaagd („Het regende trappen, schoppen en slagen zonder einde”). Vervolgens wordt Hetty tot bloedens toe met stenen, modder en vuil bekogeld door Joodse buren en straatjongens, onder aanvoering van grootmoeder.

Een beker koud water werd indertijd geschikt geacht voor „kinderen van 12 jaar en ouder” en „van harte aanbevolen” door diverse zondagsschoolverenigingen. Geen enkele recensent besteedde aandacht aan het extreme geweld in dit verhaal.

In 1983 verscheen bij uitgeverij Om Sions Wil in Gouda een herdruk van dit bekeringsverhaal onder de titel De blinde ziet. De spelling is gemoderniseerd, verder bleef de tekst gelijk (dus alle mishandelingen komen erin voor). Tussen 1983 en 2008 beleefde De blinde ziet zes of zeven drukken; de gezamenlijke oplage bedroeg naar schatting 15.000 exemplaren. Volgens de flaptekst van de editie uit 2008 is De blinde ziet „een ontroerend verhaal dat groot en klein zeker zal aanspreken”.

Ruiger

In de katholieke jeugdverhalen over Jodenbekering gaat het er soms nog ruiger aan toe. Berucht is het jeugdboek De kleine Bloedgetuige geschreven door de Tilburgse frater Nic. Doumen. Dit verhaal gaat over Abeltje Abels, een twaalfjarige Joodse jongen die van een dienstmeisje de beginselen van het katholicisme heeft geleerd. Nadat hij getuige is geweest van een wonder (een Mariabeeld draagt hem op om zich te laten dopen), komt Abeltje in een opvanghuis voor Joden terecht. Hij wordt ontvoerd, opgesloten in een kelder, in elkaar geknuppeld door zijn vader, wekenlang uitgehongerd door een rabbijn en vervolgens gekruisigd. Samen met de rabbijn hamert Abeltjes vader de ‘engelachtige’ jongen op een zolderkamer aan het kruis – zijn bloed sijpelt door het plafond.

Ons eigen blad, halfmaandelijks orgaan voor praktische roomse opvoeding raadde het aan „voor kinderen van ± 12 jaar”. In 1948 werd dit boek, dat in de Nederlandse Centrale Catalogus wordt gekarakteriseerd als een „grof antisemitisch verhaal”, nog voorgelezen op katholieke basisscholen.

Het laatste katholieke jeugdverhaal over Jodenbekering verscheen bij mijn weten in 1959. Begin jaren zestig, na theologische herbezinning, stopten katholieken met de Jodenzending en kennelijk ook met het publiceren van jeugdverhalen over Jodenbekering. Ook protestantse theologen herzagen de afgelopen decennia hun opvattingen over het Jodendom, maar de Gereformeerde Gemeenten beschouwen het zogenoemde zendingsbevel (de opdracht van Jezus om andersdenkenden op het rechte pad te brengen) als een van God gegeven bevel waaraan niet mag worden getornd. Zij doen nog steeds aan jodenzending.

Sinds 1985 zijn er door orthodox-protestantse uitgevers minstens zeven jeugdverhalen over Jodenbekering gepubliceerd. Opmerkelijk is dat de leeftijd van de beoogde lezers – gereformeerde kinderen – gestaag daalt. Zo is Izaks zoektocht naar de Vredevorst, een bekeringsboekje uit 2014, bestemd voor kinderen van circa vijf tot zeven jaar: als voorleesboekje en om zelf te lezen. Het is geschreven op leesniveau AVI M5, met korte zinnen en afbreekstreepjes. Izaks Joodse ouders vinden Jezus geen ‘Mes-si-as’ maar een ‘be-drie-ger’ die de dood verdient.

Ik snap goed dat gelovige ouders hun kinderen lectuur willen aanbieden waarin het belang van bekering wordt uiteengezet, want zeker voor orthodoxe christenen is dat een essentiële boodschap. Het uitventen ervan hoeft echter niet ten koste te gaan van andere groepen met een ander geloof, of het nu om joden, islamieten of bijvoorbeeld hindoes gaat.

Uitgevers van dergelijke boekjes zouden zich moeten afvragen of de boodschap niet anders kan worden verpakt; ouders zouden zich kunnen afvragen of het wel wijs is om dit soort verhalen aan jonge kinderen te lezen te geven.