Opinie

    • Hendrik Spiering

Einsteins handschoen

Het lijkt op een scene uit een sciencefictionboek of uit een Kuifje-achtig stripverhaal: twee groepen geleerden die elkaar om de oren slaan met totaal verschillende theorieën van de werkelijkheid. ‘De ruimtetijd is één en kan gebogen worden!’ ‘Nee! Het zijn allemaal ongrijpbaar losse stukjes!’

We mogen ons gelukkig prijzen met deze gespleten stand van zaken in een van onze oudste en best ontwikkelde wetenschappen, de natuurkunde, die verderop in deze bijlage haarfijn wordt geschetst door Margriet van der Heijden. Het levert een duidelijke en altijd belangrijke didactische boodschap van bescheidenheid. Maar ook geeft het aan in wat voor fascinerende wereld wij leven, en hoe groot die diepte is die wij dankzij al dat keiharde natuurkundige werk nog kunnen bereiken. Want de absurde waarheid is dat beide theorieën waar zijn, de ruimtetijd-theorie van Einstein en de quantumtheorie van Niels Bohr en zijn opvolgers. Daarom ook staan in werkelijkheid de natuurkundigen uit de verschillende scholen niet als middeleeuwse scholastici tegenover elkaar. Ze weten dat de Einsteiniaan als hij het over het Grotere heeft even gelijk heeft als een Bohriaan over het allerkleinste. Er zijn twee domeinen, waar er één zou moeten zijn.

Maar toch is er iets geks. Dominant onder quantummechanici was lange tijd de ‘Kopenhagen-interpretatie’ van de vreemde irreële uitkomsten van de experimenten, ook wel bekend als het ‘niet piekeren, maar doorrekenen’-dogma. Dat Einstein, die zelf met zijn lichttheorie een belangrijke aftrap van de quantummechanica had gegeven, wel piekerde over deeltjes als ‘statistische wolken’ en ‘spookachtige werkingen’, werd maar ouderwets gevonden. Waarom zou je zoeken naar een steviger en begrijpelijker fundament ónder die verschijnselen? Maar een nieuwe generatie van quantummechanici zoals Carlo Rovelli lijkt die handschoen van Einstein nu wel op te pakken.

    • Hendrik Spiering