Recensie

Voortleven met een groot zwart gat

Tommi Kinnunen en Jonas Hassen Khemiri

Twee nieuwe, spannende Scandinavische romans vallen op door hun bijzondere stijl, maar vooral door hun thematiek. Er worden levensvragen aan de orde gesteld, over gemis en over vriendschap.

Licht bij het stadhuis van de Noorse stad Rjukan dankzij drie immense spiegels in de bergen. Foto Tore Meek/Reuters

Helena is blind. Ze komt uit het onherbergzame noorden van Finland en als negenjarig meisje komt ze terecht op een blindenschool in Helsinki. Op een ochtend roept de handwerklerares de jongens bij elkaar voor seksuele voorlichting, de blinde meisjes gaan door met het naaien van omslagdoeken. ‘Wij hoefden zulke dingen niet te weten, wij schoonheden met lege ogen. Tragische gevallen als wij kenden geen seksuele driften’, schrijft de Finse auteur Tommi Kinnunen (1973) in het aangrijpend mooie Licht achter de ogen.

De zinsnede ‘wij schoonheden met lege ogen’ staat halverwege de roman. Het is een observatie die huiver en empathie oproept. In de bladzijden ervoor neemt Kinnunen ons mee met het blinde meisje dat zich ondanks haar visuele handicap in de wereld moet bewegen alsof ze normaal is, want ‘een goed opgevoede vrouw verlangde niet naar aanraking’ en moest vooral de anderen niet tot last zijn. Nog zo’n waarneming: ‘We hadden geen witte stok, zoals op de blindenscholen in Zweden, want die waren alleen voor oude blinden, werd ons verteld. Wij waren jong en moesten ons aanpassen aan onze omgeving.’

We bevinden ons in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Op adembenemende wijze beschrijft Kinnunen hoe het meisje op de tast en gehoor haar weg door de wereld vindt. Opeens staat ze midden op een snelweg, volkomen verbijsterd te midden van het voortrazende verkeer. Vriendinnen van haar zijn door een vrachtwagen overreden of in een afgrond gevallen. Kinnunens beschrijvingen zijn zo werkelijkheidsgetrouw, dat de lezer schrikt van het zwart voor zijn eigen ogen, als hij zich Helena’s blindheid probeert voor te stellen.

Parallel aan dit verhaal vertelt hij over haar neef Tuomas die als student ook naar Helsinki komt. Hij is verlegen met meisjes en is bang voor homoseksueel uitgemaakt te worden. Hier komt hij terecht in een vriendenkring, die gedeeld wordt door Helena. Tuomas’ homoseksualiteit verhindert niet zijn verlangen naar een gezin te vervullen.

Gemis is de dragende kracht van deze roman. Zijn personages lijden eraan: Helena heeft geen licht in haar ogen, Tuomas zoekt vergeefs aansluiting bij, opnieuw, de normale mensen. Hoogtepunt van de roman is een vloeiend geschreven, bladzijdenlange monoloog over ‘dwaze dromen, gestold door de tijd’, waarin staat: ‘Je zult niet zien hoe het kind zijn eerste stapjes zet. [...] Je zult nooit kunnen lachen om de pogingen van je kind zelf met een lepel te eten, om zijn waggelende stapjes.’ Hier vinden lyriek en gemis elkaar op indrukwekkende wijze.

Tunesische vader

Je allerbeste vriend kwijtraken is ook een groot gemis. In de roman Alles wat ik me niet herinner analyseert Jonas Hassen Khemiri (1978) wat er met vrienden en nabestaanden gebeurt als iemand, in dit geval Samuel, plots uit het leven verdwijnt. Khemeri heeft een Zweedse moeder en een Tunesische vader. Zijn stijl verschilt van de meer ‘klassiek’ schrijvende Kinnunen. In korte, flitsende scènes die de haastigheid van een mailbericht bezitten, reconstrueert de naamloze schrijver de laatste dag van Samuel. Hoe kwam hij aan zijn einde, was het zelfmoord? Moord? Wie hebben hem voor het laatst gezien?

Het boek heeft de allure van een thriller, waarin steeds meer puzzelstukken samenvallen. Het knappe van deze roman is dat Samuel en de ik-figuur weliswaar een bijzondere vriendschap hebben maar die draagt ook dreiging in zich: respect is vermengd met afgunst. Drank, meisjes die onveranderlijk chicks heten en vooral de geheimzinnige en woest aantrekkelijke kunstenares Panter maakt de vrienden óók tot rivalen. Die wedijver zorgt in Alles wat ik me niet herinner voor een noodlottige wending

Hoe vrijuit gaat de schrijver? ? Tijdens het politieverhoor moet hij verantwoording afleggen, maar er is veel verdwenen uit zijn geheugen, juist de cruciale momenten. Op de achtergrond speelt geld een belangrijke rol. De ik-figuur laadt de verdenking op zich dat hij Samuel geld afhandig heeft gemaakt. Tegen het einde van het boek roept hij uit: ‘Ze liegen. Ze liegen allemaal.’

Beide zijn schitterende romans, toonbeelden van de noordse literatuur. Knap en spannend geschreven met als inzet een belangrijk literair thema, zoals Kinnunen zo treffend verwoordt: ‘Waar moet je heen met al je vragen?’

    • Kester Freriks