Waarom ontwerper Martin Margiela zoveel invloed heeft op de modewereld

Met zijn vernieuwende stijl beïnvloedt ontwerper Martin Margiela (59) acht jaar na zijn afscheid nog altijd velen in de modewereld. Hij geeft nooit interviews, maar vrienden en collega’s vertellen waarom zijn impact groot is.

Een van de beroemdste ontwerpen van Martin Margiela: een damesjasje uit de collectie voor voorjaar 1989 Foto Ronald Stoops

Een moment, heet het in de mode: een periode waarin iets of iemand alle ogen op zich heeft gericht. De Vlaamse Martin Margiela (59) heeft nu een moment. Niet het door hem opgerichte modehuis, waar John Galliano tegenwoordig de leiding heeft, maar Margiela zelf. Hij zei de mode in 2009 vaarwel.

Over een paar weken opent in het Antwerpse modemuseum MoMu een tentoonstelling over de collecties die hij tussen 1997 en 2003 voor Hermès maakte. Volgend jaar is in Parijs een overzichtstentoonstelling te zien. Het Rotterdamse Mint Film komt later dit jaar met een documentaire over de eerste jaren van het modehuis: We Margiela.

Margiela brak met de brede schouders

De belangrijkste veroorzaker van het Margiela-moment is Demna Gvasalia, de man achter modelabel Vetements en de hoofdontwerper van Balenciaga. De Georgiër Gvasalia (35) werd net als Margiela opgeleid in Antwerpen en werkte van 2009 tot 2012 voor Maison Margiela. In de collecties van Vetements en Balenciaga is de invloed van Margiela duidelijk aanwezig.

Vernieuwend

Margiela wordt gezien als de grondlegger van een aantal belangrijke ontwikkelingen: historische invloeden combineren met moderne mode, het ‘oud’ maken van nieuwe kledingstukken, het spelen met extreme proporties, het uit elkaar halen en binnenstebuiten keren van kleding, het namaken van vintage vondsten (de Replica-lijn, voorzien van een etiket waarop netjes de herkomst werd vermeld) en, vlak voor hij stopte, het terugbrengen van de brede schouder in het modebeeld.

In zijn werk leek hij te verwijzen naar het surrealisme, het dadaïsme en de Readymades van Marcel Duchamp. Van een dekbed maakte hij een jas, van een vork een armband, op een eenvoudige witte tricot jurk kwam een print van een feestjurk, van oude bontjassen maakte hij pruiken, een mouwloze top leek precies een paspop.

Een ontwerp van Maison Martin Margiela voor voorjaar 2009, geshowd in Parijs.
Foto MAXPPP / Marinieau-Elhafe / EPA
Een ontwerp van Maison Martin Margiela voor voorjaar 2007, geshowd in Parijs.
Foto Horacio Villalobos / EPA
Een ontwerp van Maison Martin Margiela voor voorjaar 2009 (l) en voorjaar 2007 (r), geshowd in Parijs.
Foto Horacio Villalobos (r) en MAXPPP Marinieau-Elhafe (l) / EPA

Zijn Tabi-boot (laars met Japanse losse teen) en het dubbele horlogebandje dat hij bedacht voor Hermès zijn moderne klassiekers geworden.
Het is niet alleen Margiela’s kleding die nu zo inspireert. Margiela trok zich weinig aan van de ongeschreven wetten van de mode-industrie en ook in dat aspect is hij een voorbeeld. Zoals MoMu-directeur Kaat Debo zegt: „Als je een alternatief zoekt voor het spektakelmodel, kun je niet om Martin Margiela heen.”

De modewereld zit in een existentiële crisis; steeds meer hoofdontwerpers van grote huizen keren zich af of bezwijken onder de grote druk die hun baan met zich meebrengt en veel modehuizen experimenteren met het geven van minder shows. Margiela, die voordat hij voor zichzelf begon drie jaar de assistent was van superster Jean Paul Gaultier, gaf niet elk seizoen een show, stond de pers niet te woord en kwam na afloop van de shows nooit de catwalk op. Tot een paar jaar geleden een oud portret op internet begon te circuleren, wisten weinig mensen hoe de boomlange ontwerper eruit ziet.

Margiela geeft nog steeds geen interviews. Daarom sprak ik met mensen die hem goed kennen, over zijn carrière, zijn stijl en zijn invloed (niet over zijn privéleven; daar zijn ze, geheel in de geest van de ontwerper, uitermate terughoudend over. Hij heeft een vriend, daar hield de informatie wel op).

Margiela’s signatuur

Jenny Meirens: „Of ik stukken van Demna heb gezien die lijken op ontwerpen van Martin? Vanmorgen opende ik Facebook en zag ik een Balenciaga-jurk voorbijkomen die helemaal Martin Margiela is: een gebloemde jurk, samengesteld uit twee andere. Het enige verschil is dat die van ons nog in een zwart verfbad ging. Ik heb ook oversized kleding gezien van Vetements die ik meteen herkende. Ik vind het mooi dat een volgende generatie voortborduurt op onze historie, maar het ontbreekt soms aan interpretatie.”
Kaat Debo: „Ik vraag me af of de mode van Céline hetzelfde zou zijn zonder de collecties van Margiela voor Hermès.”

Paul Helbers: „Ik vind het ongelooflijk hoe iedereen aan de haal is gegaan met onze ideeën. Ik heb dingen teruggezien in de mannencollecties van Marc Jacobs en Viktor & Rolf.”
Geert Bruloot: „Bij Prada en Gucci heb ik ook invloeden gezien. Martin heeft in zijn korte carrière zoveel dingen aangeraakt, het is een heel rijke pot om uit te putten. Eind jaren tachtig heeft hij alle deuren opengezet.”
Patrick Scallon: „Veel mensen in de mode-industrie zijn op het moment weinig gepassioneerd over mode. Dat komt bijvoorbeeld doordat bij modebladen de adverteerders ontzettend veel macht hebben. Daarom wordt wat er in de jaren negentig gebeurde nu geïdealiseerd. Dus als Vetements een show geeft in een gay-bar is het meteen: ‘Oh, dit voelt als de goede oude tijd.’ Terwijl ze niet de enigen zijn die nu goede dingen doen.”

Lees ook: Hollandse korte kapsels en windjacks - Vetements maakt het überhip

Inge Grognard: „Als iemand de deur achter zich dichttrekt, hebben anderen het recht zijn werk voort te zetten, vind ik. En Demna heeft Martins stijl naar het nu vertaald en daarmee de modewereld weer in beweging gebracht. Dankzij hem wordt Martins werk ook eindelijk in de juiste context gezet. Ik heb daar weleens een discussie over gehad met Martin. Hij heeft niet dezelfde mening als ik. Hij staat achter John Galliano, die met Maison Margiela een heel andere weg is ingeslagen.”
Paul Helbers: „Make it your own”, zei hij tegen Galliano toen hij hoofdontwerper werd. Dat vind ik heel goed. Zo doet hij niks af aan Galliano, en niks aan zichzelf.”

Foto Annaleen Louwes

Patrick Scallon: „De kracht van Martin Margiela lijkt nu groter dan toen hij nog ontwierp. Mensen denken dat Martin de hogepriester van de mode was en dat iedereen naar het altaar kwam om hem te aanbidden, maar wij kregen net als iedereen goede en slechte recensies. Er waren collecties die niemand goed vond, men klaagde over het feit dat er bij onze shows geen gereserveerde frontrow-plaatsen waren; het was ‘wie het eerst komt, het eerst maalt’. Dat was ook de reden dat de machtigste editor van de wereld nooit is geweest; we konden haar niet ontvangen op de manier die ze nodig had. Ik denk dat we sterker en onafhankelijker overkwamen dan we in feite waren. Mensen durfden soms niet te zeggen dat ze ons goed vonden, of inspirerend.”

Een nieuw silhouet

Inge Grognard: „Martins nicht en ik zijn vriendinnen sinds ons twaalfde. Martin leerde ik twee jaar later kennen. We waren allemaal erg bezig met kleding; we kochten bergen tweedehands kleren. Soms gingen we met z’n drieën op een bankje zitten, mensen bestuderen, en dan hadden we dolle pret. Zijn nicht en ik gingen vaak uit, hij was erg op zichzelf. Toen hij op de kunstacademie in Antwerpen zat, hielpen we hem met zijn opdrachten.”
Jenny Meirens: „Ik had twee modewinkels in Brussel, waaronder een van Comme des Garçons. Ik ontmoette Martin in 1983 toen ik jurylid was bij de Gouden Spoel [een Belgische modewedstrijd] waar hij toen tweede werd. In 1988 vroeg hij me om samen met hem zijn zaak op te zetten. Ik denk dat hij opkeek tegen de manier waarop ik mijn winkels runde: ik organiseerde ook modeshows en tentoonstellingen. Martin is een zeer goede kunstenaar. In het begin was ik vooral onder de indruk van hem omdat hij zoveel verschillende stijlen beheerste; hij had ook voor verschillende merken gewerkt.”

Op alles wat we deden kwam de eerste tien jaar kritiek

Geert Bruloot: „Toen hij in 1988 zijn eerste show gaf in Café de la Gare, een alternatief theater in Parijs, zaten we nog helemaal in de jaren tachtig: brede schouders, smal en kort van onder, glamour. Hij kwam met jasjes met zeer smalle, hoge schouders en daaronder lange, wijde rokken. De Tabi-boot was er ook al. Om het effect daarvan goed te laten zien, liet hij modellen eerst in rode verf stappen voor ze het pad van wit katoen betraden. Niemand wist wat-ie moest denken. Ik snapte het ook niet. Tot ik tegen mezelf zei: ‘Vergeet alles wat je kent en kijk.’ Halverwege de show was ik om. Mijn vriend Eddy en ik waren toen net met onze winkel Louis begonnen. Ik dacht: wij krijgen deze ontwerper nooit, maar bekendere winkeliers uit Antwerpen hadden geen belangstelling. Een paar dagen later kwamen we in de showroom, waar alles wit was: wit gesausde muren, een wit geverfde tv, witte doeken over de meubels, het personeel droeg witte stofjassen, enzovoorts. Een idee van Jenny, net als het geheel witte logo dat met vier grote witte steken werd vastgemaakt. In de hal zagen we een jonge meneer en mevrouw zitten, helemaal van de hand Gods geslagen. Dat waren de mensen die de collectie zouden gaan produceren, maar ze durfden het niet aan. Die eerste collectie is dus nooit verkocht.”

Foto Annaleen Louwes

Jenny Meirens: „Na vijf jaar begon het pas een beetje te lopen. We deden zeer voorzichtig en Martin nam in het begin ook nog opdrachten aan van andere modehuizen. Op alles wat we deden kwam de eerste tien jaar kritiek, zelfs op de witte showroom, de abstracte witte etiketten – allemaal een reactie op de glamourstijl van die tijd. Een show geven kost veel geld en energie, dus in plaats daarvan lieten we soms een film zien of hielden we alleen een presentatie. Eén keer hebben we de kleren pas aan de pers laten zien toen ze al in de winkel hingen. Verschillende merken experimenteren daar nu mee en dat wordt tof gevonden. Toen niet.”

De onzichtbare ontwerper

Patrick Scallon: „Het is een misverstand dat Martin nooit met de pers heeft gepraat. Tot 1992 legde hij de gedachte achter collecties uit aan iedereen die wilde luisteren. Hij vroeg alleen of ze geen portret van hem wilden publiceren, maar van de collectie. Het smalle, lange silhouet was in die tijd behoorlijk revolutionair, dus hij wilde dat mensen eraan zouden wennen. Op zeker moment realiseerde hij zich dat het voordelen had om niet met de pers te praten; een ontwerper is zo twintig procent van zijn tijd bezig met interviews en meet & greets. Martin begreep dat als hij het wilde volhouden, hij zuinig moest zijn met zijn energie. Later is er een marketingverhaal gemaakt rond de mysterieuze, onzichtbare ontwerper. Mensen denken daarom vaak dat hij verlegen en Asperger-achtig is, maar hij is zeer innemend en welbespraakt en heeft een goed gevoel voor humor.”
Geert Bruloot: „Martin heeft een flinke portie zelfrelativering. ‘Ik doe maar een voorstel’, zei hij over zijn collecties. En er zat veel fun in zijn werk. Toen hij zijn eerste oversized collectie liet zien, droegen de modellen veel te grote pruiken en carnavalszonnebrillen.”

Als je een alternatief zoekt voor het spektakelmodel, kun je niet om hem heen

Patrick Scallon: „Het is grappig hoe de dingen soms werden geïnterpreteerd. Onze uitnodigingen hadden meestal niks te maken met de collectie, maar soms hoorde ik bij een etentje mensen uitleggen hoe de twee verbonden waren.”
Paul Helbers: „Martins stijl was altijd een witchcraft-soup van verschillende elementen. Iets traditioneel Belgisch, met veel aandacht voor coupe en techniek, ook aan de binnenkant van kledingstukken. Een fetish voor huid. Rock-’n-roll en grunge. En kitsch. Ik had een keer foto’s van [de uitbundig uitgedoste Nederlandse tv-danseres] Penney de Jager bij me, en dat vond hij fantastisch.”
Patrick Scallon: „De galerie-eigenaar, de architect, de plaatselijke smaakmaker: dat waren de mensen die Maison Martin Margiela droegen. Creatieven die niet altijd het rijkst zijn. Daarom werden de prijzen zo laag mogelijk gehouden, door bijvoorbeeld jurken van voeringstof te maken.”

Silhouette ‘Trompe l’oeuil’ van Maison Martin Margiela, 1996
Stany Dederen
‘Kleding als lifestyle’ - Hermès 1998-1999
John Midgley
Silhouette ‘Trompe l’oeuil’ van Maison Martin Margiela in 1996 (l) en ‘Kleding als lifestyle’ - Hermès 1998-1999 (r)
Foto Stany Dederen (l) en John Midgley (r)

Slow fashion

Jenny Meirens: „De dochter van de directeur van Hermès was bevriend met onze eerste persman en heeft een keer in een show meegelopen. Zo kwam het contact met Hermès tot stand.”
Kaat Debo: „Zijn collecties voor Hermès waren slow fashion, een begrip dat nu actueel is. Tijdloos is natuurlijk een moeilijk begrip, maar elk stuk kun je vandaag zo aan. Hij werkte aan een traag evoluerende garderobe in neutrale tinten. Het was de bedoeling er elk seizoen een paar stukken aan toe te voegen. Veel van zijn ontwerpen waren op meerdere manieren te dragen, zoals een trenchcoat waarvan je de mouwen los kon knopen. Die kon je dragen als klassieke jas, als mouwloze jurk of – wat gewaagder – de mouwen als een soort cape op de rug laten hangen. Een deel van de pers reageerde negatief. Die had waarschijnlijk de rauwe, avant-gardistische aanpak van zijn eigen merk verwacht, maar binnen Hermès werd hij vanaf het begin op handen gedragen. Hij luisterde goed naar vrouwen en bestudeerde hoe ze bewegen. Hij ontwierp zijn kleding niet voor jonge vrouwen met maatje 36. Hij besefte dat oudere vrouwen hun armen graag bedekken. Ik denk dat hij bij Hermès nog lang niet was uitverteld, maar het werd te druk. Zijn zaak was verkocht en groeide en Hermès wilde ook groeien. Er zijn grenzen aan wat je kunt delegeren als je creatief de touwtjes in handen wilt houden.”

Al twintig jaar heeft het Belgische modehuis La Maison Martin Margiela succes. „We zijn trouw aan onszelf.” Lees ook: Tijdloze anti-mode

Renzo Rosso

Jenny Meirens: „We werkten met Maison Martin Margiela op licentiebasis; we hadden contracten met fabrikanten, die de materialen inkochten en het risico droegen en ons royalties betaalden. Op het laatst wilden we de winstmarge groter maken en daarvoor moest kapitaal komen. Het lag voor de hand om een meerderheidsaandeel te verkopen aan Renzo Rosso, de eigenaar van Diesel, omdat hij de fabriek waarmee wij werkten ook had overgenomen. Ik sta nog steeds achter die beslissing. Niet lang na de verkoop in 2002 ben ik weggegaan. Er werkten op dat moment zo’n honderd mensen bij het bedrijf. Ik was continu bezig met cijfers en personeelsproblemen, daar beleefde ik geen plezier aan. Bovendien was ik moe na al die jaren hard werken. Ik was 58 jaar en wilde van het leven genieten.”

Foto Annaleen Louwes

Patrick Scallon: „Voor creatieve mensen zit de lol in het opbouwen van een zaak, niet in het kapitaliseren. Dat gold voor zowel Jenny als Martin. Hij was het gelukkigst als hij dicht bij zijn kledingstukken was. Dat werd moeilijker naarmate het bedrijf groeide.”
Paul Helbers: „De invloed van Renzo Rosso werd almaar groter en ik vond het lastig om tussen twee vuren te zitten. Aan de ene kant had je Renzo Rosso die om Martin Margiela-​poloshirts vroeg, aan de andere kant had je Martin, die kotste van poloshirts. Net als ik, trouwens. Het werd steeds meer een invuloefening, het ruige ging eraf. Toen ik in 2006 het aanbod kreeg om hoofdontwerper te worden van de mannenlijn van Louis Vuitton, ben ik gegaan. Ik heb wel een seizoen nodig gehad om de Margiela-esthetiek van mij af te schudden. Die lag heel dicht bij mijzelf.”

Hij vertrok zonder afscheid te kunnen nemen

Patrick Scallon: „De mentaliteit werd: als het was witgeverfd, was het Margiela. De shows veranderden ook. Voordat Jenny en Martin een deel van het bedrijf verkochten, hadden we in de shows vrouwen van allerlei leeftijden, van wie de gezichten geregeld bedekt waren. Dat werden later allemaal jonge modellen.”
Paul Helbers: „Iedereen in het bedrijf wist dat Martin niet zou blijven. Ik vind het goed dat hij is gestopt. Hij heeft een afgerond verhaal verteld en dat sterk en duidelijk neergezet.”
Patrick Scallon: „Martin begon met het breken met de brede schouders. Vlak voordat hij vertrok, bracht hij de brede schouders terug.”
Inge Grognard: „Hij vertrok zonder afscheid te kunnen nemen. Ze hebben twee seizoenen gewacht met te vertellen dat hij weg was. Officieel wist ik het ook niet – het was hem verboden erover te spreken – maar je voelde het wel. Ik zag hem daar ook niet meer.”

Kaat Debo: „Hij is een bescheiden man. Hij weet natuurlijk dat hij heel straffe dingen heeft gedaan en dat zijn werk belangrijk wordt gevonden, maar ik denk dat hij niet beseft hoe groot zijn impact is.”
Inge Grognard: „Het gaat heel goed met hem. Hij schildert en is druk bezig geweest zijn archieven op orde te brengen. Martin is altijd een bricoleur geweest, iemand die prutst en prult en zoekt en leest. En dat zal hij altijd blijven.”

    • Milou van Rossum