Recensie

Netflix kijken in 1890, dat deed je met prentenmappen

Expositie Aan het einde van de 19de eeuw bestond de Parijse beeldtaal uit affiches en prenten. Je zag ze overal op straat, maar verzamelaars zaten ze ook te bekijken in hun privévertrekken. Het Van Gogh Museum wijdt er een bijzondere tentoonstelling aan.

Op de site van het Van Gogh Museum zijn sinds januari 2016 ongeveer 1.800 prenten te zien uit het fin de siècle (1890-1905). Het museum verzamelt ze intensief, vanaf de aankoop, in 2000, van zo’n 800 Franse prenten uit de particuliere collectie Feldhaus. Je kunt zoeken op onderwerp, personen of techniek, maar ook op soort object. In die categorie is één geboortekaartje te vinden, gemaakt door Pierre Bonnard in 1898.

Conservator prenten en tekeningen Fleur Roos Rosa de Carvalho (35) van het Van Gogh Museum heeft er zelf een aangepaste versie van gemaakt, toen onlangs haar zoontje werd geboren. Het kaartje was door haar handen gegaan terwijl ze, de afgelopen vier jaar, de enorm grote collectie ontsloot, alleen in het depot met tientallen dozen vol prenten. Twintig prenten per doos vaak, allemaal in passe-partouts, allemaal lichtgevoelig. Vandaar de website. „Ik had al snel het idee dat dat de enige manier was om ze stuk voor stuk aan het publiek te kunnen tonen.”

Maar nu is er ook een tentoonstelling, Prints in Paris 1900. Van elitair tot populair. Hij opent vrijdag 3 maart. Het geboortekaartje is er niet te zien, maar over de volle twee verdiepingen van de tentoonstellingsvleugel wel zo’n 250 prenten, affiches, tijdschrift-illustraties en omslagen van muziekbladen. Daaronder ook iconische, zoals ‘Le Moulin Rouge’ (Toulouse-Lautrec, 1891) en ‘Le Chat Noir’ (Steinlen, 1896).

Toch is het niet de tentoonstelling die je verwacht, met beelden die je kent of denkt te kennen. En dat komt doordat de prenten waaruit de expositie is samengesteld, de afgelopen jaren letterlijk één voor één zijn bekeken. Fleur Roos Rosa de Carvalho: „Juist doordat ik ze echt zag en voelde, merkte ik verschillen op. Je hebt een affiche in handen en denkt: ja maar, dit kan toch niet op straat hebben gehangen, daar is het te klein en subtiel voor.”

Het resultaat: twee onderling zeer verschillende verdiepingen. Beneden, waar je begint, zijn prenten te zien die waren bedoeld voor de verzamelende elite, die ze opborg in speciale, vaak met leer ingelegde mappen. Die bladerden ze in alle discretie door in het eigen cabinet de travail, de werkkamer die in het geval van een verzamelaar ook cabinet d’amateur werd genoemd. De prenten worden getoond in vier speciaal gecreëerde interieurs, waarvan behang, lambrizering, parketvloer en meubilair zijn gebaseerd op appartementen uit het fin de siècle.

De teaser van de tentoonstelling.

Een verdieping hoger is de tentoonstelling weids, alsof je loopt over drukke boulevards, de omnibus raast voorbij, aan de muren zijn affiches geplakt, in kiosken liggen goedkope tijdschriften, met prenten als omslag, te koop voor tien centimes. Beide verdiepingen ademen moderniteit: het waren avant-gardekunstenaars die de grafiek omarmden in een tijd van nieuwe printtechnieken en minder censuur, en die de grens tussen hoge en lage kunst ophieven.

Daarover gaat meteen het eerste affiche dat je ziet, ‘De Prent en het Affiche’ van Eugène Grasset uit 1897. Het zijn twee vrouwen, de één uitdagend in haar onderjurk, duidelijk een vrouw van de straat. Zij is de allegorie voor het affiche, met haar lijmkwast wappert ze in het gezicht van de andere vrouw. Die draagt een hooggesloten japon, een map met prenten beschermend onder haar arm. Het affiche werd ontworpen voor het verzamelaarstijdschrift L’Estampe et l’affiche, alleen: de titel van dat tijdschrift staat er niet op, het is een druk avant la lettre zoals dat werd genoemd, en het affiche is te klein om op straat op te kunnen vallen.

Soms duister, soms erotisch

Het was dan ook geen affiche, maar een prent voor een verzamelaar. Zulke prenten verschenen in tienvoud, soms in twintigvoud of nog meer, terwijl van affiches duizenden werden gedrukt. Er waren ook technieken om die prenten niet alleen van de affiches, maar ook onderling van elkaar te laten verschillen: andere soorten papier, net iets andere tinten inkt. Of toegevoegde remarques, zoals het monogram van de kunstenaar of een eigen stempel van de verzamelaar. Daar is op de tentoonstelling een aantal voorbeelden van te zien, zoals drie net andere exemplaren van ‘Loïe Fuller’ (1893) door Toulouse-Lautrec.

De unieke, of redelijk unieke prenten die de verzamelaars bekeken in hun particuliere kabinet waren soms mysterieus, soms duister, subversief of erotisch (denk Félicien Rops of monotypieën van prostituees door Edgar Degas). Toch was dat laatste lang niet altijd het geval. Vanwaar dan toch dat terugtrekken in de eigen kamer?

„Dat is ontstaan”, zegt Fleur Roos Rosa de Carvalho, „door de directe link met boeken, waar prenten uit voortkomen”. Naar platen in een boek kijk je anders dan naar een schilderij, je geeft ze een andere plek in huis. Maar er was meer dan dat. In de catalogus bij de tentoonstelling haalt ze de Franse schrijver Edmond de Goncourt aan, bij een foto uit 1890 waarop je hem in zijn kabinet ziet zitten, poserend voor een kast met prentenmappen: „Hier bezig zijn, en nu en dan even opkijken, lijkt op werken in een sprookjeswereld, en ik laat met tegenzin deze dingen achter om Parijs in te gaan.” Of neem Charles Baudelaire. Die schreef over de prentkunst: „Waarom zou ik mijn lichaam dwingen zich te verplaatsen als mijn geest zo makkelijk reist?”

Bladeren door je prenten was als even weg zijn uit de hectische, moderne tijd, om je een moment te verliezen in een andere, denkbeeldige wereld. Fleur Roos Rosa de Carvalho: „Een beetje zoals je nu Netflix kijkt, zeg maar, maar dan exclusiever.”

En het verband met Vincent van Gogh? Hij verzamelde prenten en had ze ook willen maken, om schoonheid te verspreiden onder gewone mensen. Maar het bleef bij een paar grafische experimenten. Van Gogh stierf in 1890, vlak voordat de prentenrevolutie begon.

    • Gretha Pama