Recensie

Arjen Fortuin neemt afscheid: dertien onvergetelijke boeken

Na vijftien jaar recenseren en zo’n vijfhonderd boeken gooit literair redacteur Arjen Fortuin het bijltje erbij neer. Een mens moet nooit zwijgen omdat niemand luistert. Je moet hooguit zwijgen als je niet genoeg meer te zeggen hebt.

Toch maar even de stukken opgezocht waarmee Kees Fens ooit aankondigde te stoppen als literair criticus van de Volkskrant. Op 15 november 1977 beschreef Fens hoe de commercialisering van de boekenwereld maakte dat de criticus nog slechts achter de reclame (interviews, advertenties, boekhandeletalages) aan hobbelde en zo zijn belangrijkste functie had verloren. ‘Wie uit de toon valt, is op zijn best of slechtst een dwarsligger, die overigens […] ook te laat komt, misschien niet alleen in eigen ogen of later in die van de geschiedenis.’ Steen des aanstoots was voor Fens de algemene jubel over het zwakke debuut Bouwval van een zekere Frans Kellendonk – soms geeft zelfs de geschiedenis de recensent geen gelijk.

Zo nam de criticus Fens veertig jaar geleden afscheid van de Nederlandse literatuur – hij zou nog decennia ‘gewoon’ over de meest uiteenlopende boeken blijven schrijven. Ik heb zijn argument altijd vreemd gevonden: het leek toch of Fens het publiek verweet dat het tegen zijn advies in slechte boeken kocht. Ook klaagde hij over het niveau van het hem gebodene: ‘Toename van het aantal gelezen boeken, maakt het vergelijkingsmateriaal groter en het oordeel scherper.’ Dus niet alleen de lezers waren niet goed genoeg meer, maar ook de boeken? In Wiel Kusters’ Fensbiografie Mijn versnipperd leven, staat hoe prozaïscher zaken een rol speelden bij Fens’ afscheid: gedoe met de krant over de lengte van zijn stukken, verantwoordelijkheid, toegankelijkheid en dergelijke.

We hebben Kees Fens niet meer nodig om het ons te vertellen: wat hij beschrijft is in veertig jaar veel erger geworden. De rol van literatuur in de bestsellerlijsten is marginaal, in de bombarie waarmee de grote titels worden aangekondigd is de recensie slechts een voetnoot. Maar juist daarom is het van groot belang dat er een plaats in de krant is waar een geslaagde roman van Nelleke Noordervliet toch echt iets anders betekent dan een geslaagde roman van Kluun. Er moet een vrije ruimte zijn waar de aandacht gevestigd wordt op schrijvers die unieke dingen maken, waar lezers die niet malen om ketelmuziek nieuwe literatuur kunnen ontdekken. In de literaire kritiek gaat het woord boven het getal – en alleen dat al is nog minstens veertig jaar het verdedigen waard.

Het grootste voorrecht van deze baan is de plaats in de voorhoede, de opwinding die hoort bij het lezen van een helemaal nieuw boek

Toch is dit een afscheidsstuk. De dwarsliggende recensie die ik vorige week publiceerde over Bert Wagendorps Masser Brock was voorlopig de laatste. Maar dat is niet de schuld van de buitenwereld. Als ik me alle verkochte exemplaren van Vijftig tinten grijs persoonlijk had aangetrokken, had ik jaren geleden mijn boekenkast al geruild voor een kist absint. Heel veel mensen lezen heel veel waardeloze (of middelmatige) boeken, dat is het lot van de criticus. En dat is ook geen reden om het bijltje erbij neer te gooien. (Op de een of andere manier lijkt die uitdrukking speciaal gemaakt voor de recensent.)

Alle dertien onvergetelijk (klik om de omslagen van dichterbij te bekijken)

Een mens moet nooit zwijgen omdat niemand luistert. Je moet hooguit zwijgen als je niet genoeg meer te zeggen hebt. Het grootste voorrecht van deze baan is de plaats in de voorhoede, de opwinding die hoort bij het lezen van een helemaal nieuw boek. (Hiermee samen hangt de paniek als een windvlaag je drukproefvelletjes het raam uit jaagt.) Soms weet je na twintig pagina’s zuchtend dat je er nog driehonderd door te worstelen hebt, de andere keer ontdek je hoe terecht langverwacht een boek is. Plus de echte surprises. Wanneer Blanco van de volslagen onbekende Peter Terrin (oud-vertegenwoordiger in marmer), een van de beste boeken blijkt te zijn die je in al die jaren zult bespreken.

Bovendien krijg je elke week een nieuwe kans. Maar precies die voorhoede-opwinding is aan het verdwijnen. Het verlangen om alles te weten, alles te lezen is na vijftien jaar gesleten. Globaal genomen zijn er twee groepen schrijvers. De auteurs die me interesseren, maar over de meeste van hen heb ik al drie of vier keer geschreven – daar dreigt de herhaling. En de schrijvers die me niet interesseren, nu ja, die kunnen beter door anderen worden besproken. Gelukkig is de krant groot genoeg om over andere zaken te schrijven – en vast ook nog wel eens over literatuur.

In de afgelopen vijftien jaar heb ik vijfhonderd romans besproken – schat ik, administratie is niet echt mijn ding. Wat is daarvan de balans, wat is de grote lijn? Ik heb in de loop der jaren beweerd dat de Belgen beter zouden zijn, een hausse in de plattelandsroman geconstateerd, jonge schrijvers gekarakteriseerd als een uitgesproken onderzoekende generatie, de opkomst van de non-fictieroman beschreven en, twee maanden geleden nog een ‘jaar van de vrouw’ verwelkomd. Allemaal best doorwrochte stukken vind ik zelf, vol aanvechtbare stellingen.

Daar zou er best eentje bij kunnen, die zou moeten gaan over de grootste verandering die on my watch als recensent heeft plaatsgevonden. Op 14 september 2001 begon ik als literatuurrecensent in deze krant, met een stuk over het debuut van Peter Akkerman, De val van Icarus. Die psychologische Bildungsroman (mooi, wel wat aan de dikke kant) was niet de toekomst van de Nederlandse literatuur. Een tweede boek kwam er niet, Akkerman is inmiddels overleden. Voor de literatuur waren andere gebeurtenissen van die week in september 2001 veel belangrijker, omdat ze voor de wereld belangrijker waren. Schrijvers zijn net mensen, hun interesses verschillen niet wezenlijk van die van gewone stervelingen. Dus is ook de Nederlandse literatuur veel maatschappelijker geworden – ik vermijd bewust het onhandige woord ‘geëngageerd’. Of je nu naar Tom Lanoye, P.F. Thomése, Arnon Grunberg, Tommy Wieringa of Annelies Verbeke kijkt – de volkomen vanzelfsprekendheid waarmee hun boeken de samenleving onderzoeken, is mijlenver verwijderd van de spreekwoordelijke binnenkamertjes waar de Nederlandse letterkunde zich lang heeft verscholen. Onze schrijvers werden steeds meer sociologen en steeds minder psychologen. Al is voor de door het virtuele bestaan gevoede, uitgesproken onderzoekende jongste generatie (Hanna Bervoets, Niña Weijers, Joost de Vries) sociaal-psycholoog misschien een preciezere omschrijving.

Als ik literatuurhistoricus was, zou ik alles in dat soort termen op een rij zetten. Maar dat ben ik niet en ik heb bovendien steeds minder het idee dat de taak van de criticus ligt in het uitroepen van trends, het in kaart brengen van stromingen of het doen van algemene bewegingen. Critici moeten niet uitzoomen maar inzoomen. Door oprecht en onafhankelijk te oordelen, zonder schroom ‘dwars te liggen’ als de applausmachines van reclametweets, tv-optredens en kritiekloze interviews elk tegengeluid verdacht lijken te maken. Maar vooral door boeken te lezen, door aan te wijzen wat in dat woud van letters nu echt de moeite waard is, wanneer we écht gegrepen worden. En daar dan iets zinnigs over zeggen.

Want, hoe vaak een criticus ook mokt of kanttekent, er zijn onvergetelijke boeken. Vorige week heb ik er, met dit stuk in gedachten, uit mijn hoofd een lijstje van gemaakt. Niet de boeken waarvan ik de afgelopen jaren dacht dat ze in het licht van de geschiedenis als de belangrijkste zouden worden gezien. Niet de boeken die samen een zo volledig beeld zouden geven van de afgelopen jaren, maar de romans die ik las voor de krant en die mij met stomheid sloegen. Een persoonlijke lijst. Geen postume uitgaven, geen vertaalde boeken. Ik kwam tot elf titels en nadat ik in mijn boekenkast nog twee vergeten onvergetelijke boeken vond, waren het er dertien: iets minder dan één onvergetelijk boek per jaar. Over dat lijstje valt natuurlijk van alles te zeggen. Zo vraag ik me nu af waarom Sprakeloos van Tom Lanoye er niet bij staat, of de verhalen van Sanneke van Hassel. Jammer! Maar te laat.

Een halve blik leert ons al dat er weinig vrouwen op staan (vier van de dertien) en dat de auteurs behalve Martin Michael Driessen (1954) en Vonne van der Meer (1952) allemaal zijn geboren tussen 1964 en 1976. Mijn generatiegenoten dus (ik ben van 1971). Die eenzijdigheid is op zichzelf al een pleidooi voor diversiteit en doorstroming in de literatuurkritiek.

Maar ja, de ruimte in de krant is beperkt, wist Fens al. En de ruimte in het hoofd van de lezer trouwens ook

Maar goed, dat krijg je als je alleen op je gevoel afgaat. Voor een groot deel staan hier de schrijvers met wie ik als criticus ben opgegroeid. Van de meesten heb ik stap voor stap bij verschijnen het hele oeuvre gelezen. En soms geconstateerd dat ze, na soms jaren duwen en trekken, het publiek kregen dat ze al jaren verdienden. Mijn innerlijke Fens is ijdel genoeg om te denken dat mijn gedram dienaangaande soms een beetje heeft geholpen. Elk onvergetelijk boek is op zijn eigen wijze onvergetelijk.

Er staan voor de milde atheïst die ik meen te zijn nogal wat boeken met religieuze (sub-)thema’s op het lijstje, trouwens. Ik zou lang kunnen uitweiden over de specifieke onvergetelijkheden. Over hoe de droomtoestand waarin ik Paravion las (baby, nachtvoedingen) zich geruisloos in de roman leek voort te zetten – en hoezeer ik Hafid Bouazza mis als schrijver. Over hoe Roxy van Esther Gerritsen het enige boek is waar ik nooit bij in slaap ben gevallen (maar waarom?), over hoe ik nog steeds niet denk dat ik Roundhay, tuinscène van Marente de Moor werkelijk heb begrepen, over hoe De engelenmaker van Stefan Brijs het eerste boek was waarbij ik werkelijk vergat dat ik voor mijn werk zat te lezen. Maar ja, de ruimte in de krant is beperkt, wist Fens al. En de ruimte in het hoofd van de lezer trouwens ook.

Gaat u dus gewoon die dertien boeken lezen (desnoods eerst de recensies). Zelf zou ik beginnen met Grip van Stephan Enter. Die bergbeklimmersroman-met-twee-cliffhangers is een geweldige, uiterst precieze, onbekommerd spirituele tocht langs Enters ideeën over vriendschap, liefde en onsterfelijkheid. Ik heb het al een paar keer in de krant gezet, maar een criticus moet soms een reclameman durven zijn: léés dat boek. Mijn exemplaar van Grip heeft sinds de verschijning maar weinig rust gehad en dat is het aan te zien. Tussen pagina 70 en 71 is het boekblok gebroken en dreigen de pagina’s los te laten. Soms oordeelt een recensent ook zonder woorden, gewoon door te lezen tot het boek breekt.

De dertien onvergetelijk boeken nog een keer op een rijtje:

  • Peter Terrin- Blanco (2003)
  • Hafid Bouazza- Paravion (2003)
  • Stefan Brijs- De engelenmaker (2005)
  • Dimitri Verhulst- De helaasheid der dingen (2006)
  • Arnon Grunberg- Tirza (2006)
  • Vonne van der Meer- Take 7 (2007)
  • Jan van Mersbergen- Morgen gaan we naar Pamplona (2007)
  • Anton Valens- Vis (2009)
  • Stephan Enter- Grip (2011)
  • Martin Michael Driessen- Vader van God (2012)
  • Marente de Moor- Roundhay, tuinscène (2013)
  • Esther Gerritsen- Roxy (2014)
  • Annelies Verbeke- Dertig dagen (2015)