Het geheim van modeontwerpers: hier vinden ze inspiratie

The Vintage Showroom in Londen leent kleding uit aan ontwerpers van grote modehuizen. Wie die klanten zijn, blijft geheim.

The Vintage Showroom beschikt over een grote denim-collectie. Foto The Vintage Showroom

In de raamloze en tot de nok toe gevulde zolderruimte in West-​Londen hangen klassieke Britse dandypakken, vrolijke Hawaï-blouses, een rek vol leren motorpakken, stapels met de hand gerepareerde spijkerbroeken die nog van Texaanse mijnwerkers uit de jaren vijftig zijn geweest en er is een flinke afdeling militaire uniforms. Op het eerste gezicht lijkt het een doorsnee vintagewinkel, toch is de zolder verboden terrein voor de gewone liefhebber.

Alleen ontwerpers kunnen hier – op afspraak – kledingstukken huren of kopen, om ze vervolgens deels (of helemaal) na te maken. Dit ‘ideeën shoppen’ is gebruikelijk in alle segmenten van de mode. Ontwerpers kijken bijvoorbeeld een print, een kraag of de manier waarop een zak op een jasje is geplaatst, af van bestaande kledingstukken.

De meeste ontwerpers struinen zelf vintagewinkels en markten af. The Vintage Showroom van Douglass Gunn (43) en Roy Luckett (52) is een van de weinige plekken met een speciaal voor ontwerpers samengesteld assortiment. „Ik schat dat er wereldwijd zo’n vijf vergelijkbare bedrijven bestaan”, zegt Gunn, die is gekleed in een Levi’s-spijkerbroek en een denim overhemd. „Ik ken er een paar in Japan en eentje in New York.” In Parijs zit Anouschka, gespecialiseerd in chique damesmode, met de nadruk op couture. The Vintage Showroom focust op mannenmode uit de vorige eeuw.

Een bescheiden rol

„Die ontwerpers spelen vals!” krijgt Gunn steevast te horen als hij op verjaardagen vertelt hoe hij precies de kost verdient. Daar is hij het niet mee eens. „Het gebeurt niet vaak dat een kledingstuk compleet wordt gekopieerd. Ontwerpers kiezen één of meerdere onderdelen van een kledingstuk en zetten dat vervolgens om in een ontwerp dat bij de rest van hun collectie past en er modern uitziet. Uiteindelijk spelen we maar een bescheiden rol.” Wel komt hij op straat regelmatig kledingstukken tegen waarvan hij de oorsprong herkent. „Gisteren zag ik in de metro nog een tas van een merk dat klant bij ons is, ik herkende de sluiting meteen uit onze showroom.”

Soms willen ze alleen dertig foto’s van kragen van pilotenpakken

Een kledingstuk huren kost gemiddeld zo’n 300 pond (zo’n 350 euro) per maand, maar de prijzen lopen enorm uiteen. Gunn laat een ‘grizzly’ zien: een kort jasje van wol en schapenvacht dat Amerikaanse bikers in de jaren dertig graag droegen. Het kost 350 pond per maand om het te lenen. Een wollen versie is zeldzaam – normaal zijn ze van leer gemaakt.

Een item kopen kan ook. Voor 50 pond heb je een T-shirt. De prijs van zeldzame kledingstukken kan oplopen tot in de tienduizenden ponden.

De namen van zijn klanten wil Gunn niet noemen. „Het type bedrijven waarmee wij werken, verwacht discretie.” Hij kan wel zeggen dat het overgrote deel van zijn klanten afkomstig is uit het luxesegment en de denimwereld. De fast-fashion ketens komen hier niet. „Die kopiëren onze klanten juist, waardoor ze altijd twee stappen achterlopen.” De meeste klanten zijn modehuizen uit Italië en Frankrijk, al zitten er ook wat Nederlanders tussen. Ondanks dat er uitsluitend mannenkleding in de showroom hangt, komen hier veel vrouwenmodelabels. Gunn en Luckett zijn niet kritisch: elk merk is welkom.

Iedere ontwerper gaat anders te werk. „Sommigen gaan met tassen vol kleren de deur uit, anderen kiezen twee items. Sommigen willen alleen wat schetsen, anderen nemen modellen mee om kledingstukken op aan te passen. Weer andere ontwerpers willen dat we hun dertig foto’s van kragen van pilotenpakken uit de jaren dertig mailen.”

Een oude lap stof was al interessant

Tien jaar geleden hadden Gunn en Luckett nog nooit van deze business gehoord. Ze runden allebei een kraam met vintage kleding op de Portobello Road Market in Notting Hill, niet ver van de huidige showroom. „Er kwamen steeds vaker ontwerpers van Amerikaanse modebedrijven bij mijn kraam om kleding te kopen ter inspiratie”, zegt Gunn. „Ze waren geïnteresseerd in spijkerbroeken met een specifieke wassing, of bijvoorbeeld leren jasjes met veel gebruikssporen.

De kleding hoefde niet gedragen te worden, dus er mochten gerust gaten of vlekken in zitten. Zelfs een oude lap stof met een bijzondere kleur kon al interessant voor ze zijn. Ik vond het boeiend om zo naar kleren te kijken en ben vanaf dat moment steeds meer voor hen gaan inkopen.”

Oh ja, lijkt dit op een jas van Céline? Daar kan ik absolúút geen commentaar op geven.

Toen er meer en meer ontwerpers bij zijn kraam kwamen, besloot hij in 2007 samen met Luckett The Vintage Showroom te openen. Hun vaste klanten van de markt bleven langskomen en door mond-tot-mondreclame groeide het aantal klanten snel. „Ik denk dat alle grote modehuizen ons inmiddels wel kennen.”

Gunns favoriete item hangt momenteel niet in de showroom (er zijn permanent een paar honderd kledingstukken uitgeleend): een zogeheten Ursula Suit, een waxjas die Britse mariniers tijdens de Tweede Wereldoorlog droegen in de onderzeeër HMS Ursula. „De heilige graal onder vintage verzamelaars. Ik denk dat er wereldwijd nog maar zes of zeven van te vinden zijn.” Na jaren zoeken heeft hij er zes jaar geleden eindelijk twee kunnen kopen. „Sindsdien ben ik geobsedeerd door militaire waxjassen.”

Uit een rek trekt hij een jas die veel gelijkenis vertoont met een jas uit de najaarscollectie van 2016 van het Franse modehuis Céline. De stijfheid van het gewaxte katoen, de tint khaki, de grote zakken en de gesp om de nek: ze zijn vrijwel identiek. „Oh ja, lijkt dit op een jas van Céline? Daar kan ik absolúút geen commentaar op geven”, zegt Gunn lachend. Er hangt een kaartje aan de jas waarop staat dat de jas 750 pond kost om dertig dagen te lenen, en voor 20.000 pond te koop is.

Verzamelen tot aan de massaproductie

De afgelopen paar seizoenen putten veel ontwerpers inspiratie uit de jaren negentig, maar ondanks de grote interesse hebben Gunn en Luckett niets uit die tijd ingekocht. „Onze verzameling begint rond 1900 en gaat niet verder dan de jaren zeventig. Daarna werd massaproductie geïntroduceerd en is de kwaliteit van kleding enorm achteruit gegaan.” Het grootste deel van hun verzameling stamt uit de eerste helft van de 20ste eeuw en is met de hand gemaakt.

Naast die modehuizen doen ook kostuumontwerpers van historische films en modestudenten research in de showroom. En af en toe mogen stylisten iets lenen. In een hoekje staat een paspop met een gebreide spencer met Mickey Mouse-patroon, die vorig jaar nog door muzikant Benjamin Clementine werd gedragen op de cover van T Magazine, de stijlbijlage van The New York Times. Gunn denkt dat de spencer in de jaren dertig of veertig is gemaakt. „We hebben het in Schotland gevonden. Het breisel is zo grof dat de kans groot is dat we hier met het werk van een hobbyende grootmoeder te maken hebben.”

Sinds 2009 hebben Gunn en Luckett ook een vintagewinkel in de buurt Covent Garden. Daarnaast hebben ze twee boeken uitgebracht en worden ze steeds vaker door modehuizen ingehuurd als consultants. Ze helpen een aantal bedrijven (waaronder Belstaff en Abercrombie & Fitch) met het bijhouden van de archieven. „Wij weten vaak beter waar we kledingstukken die zij tachtig jaar geleden hebben ontworpen, kunnen vinden dan zijzelf.”

Wereldwijd netwerk

Gemiddeld reizen Gunn en Luckett zo’n drie maanden per jaar de wereld over op zoek naar nieuwe aanwinsten. In elk geval een paar keer per jaar naar de VS en Japan, en verder heel Europa door voor obscure rommelmarkten, militaire beurzen en antiekopruimingen. Een keer vlogen ze speciaal naar Canada voor een loods vol oude kleding op een verlaten plek. „Het was min twintig, er was geen verwarming en er hing één gloeilampje dat een gigantische ruimte moest verlichten waardoor je eigenlijk niets kon zien. Het was een drama. En we vonden niet eens iets bijzonders.”

Als ik een paar weken niets heb gekocht, moet ik op jacht. Het is een verslaving, tot grote onvrede van onze boekhouder.

Inmiddels hebben ze wereldwijd een groot netwerk van handelaren en verzamelaars die hun smaak kennen. „Elke ochtend zitten er tien tot vijftien mails in mijn inbox van mensen die me iets proberen te verkopen.” Online kopen ze alleen van mensen die ze vertrouwen, want er is een grote handel in namaakvintage, vooral op het gebied van denim en militaire kleding. „Je moet een kledingstuk vastgehouden hebben om zeker te weten dat het goed is.”

Het valt overigens niet altijd mee om een zeldzaam stuk te kopen van een verzamelaar. „Een smak geld is vaak niet genoeg. Soms moeten we erachter zien te komen wat die verzamelaar zelf graag wil hebben en daar speciaal naar op zoek gaan. De meeste verzamelaars is het namelijk niet om geld te doen, maar om het perfectioneren van hun verzameling.”

„Als ik een paar weken niets heb gekocht, moet ik op jacht”, zegt Gunn. „Het is een verslaving, tot grote onvrede van onze boekhouder.” Momenteel aast hij op een zeldzaam parachutistenpak dat een verzamelaar hem een paar weken geleden heeft aangeboden. „Schandalig duur, maar ik krijg het maar niet uit mijn hoofd.”