Recensie

Gardiner speelt Elgar op pompeuze wijze

Gardiner speelde de muziek van zijn landgenoot met grote precisie, maar te luid en met te veel aplomb.

Foto Ronald Knapp

Het was in ieder geval verrassend, zoals Sir John Eliot Gardiner de fin-de-sièclemuziek van zijn landgenoot Elgar benaderde. Gardiner is gepokt en gemazeld in de historische uitvoeringspraktijk, wat vaak vlotte tempi en een lichte klank betekent. Hoe zou zo’n oudemuziekcoryfee die wat stramme uitbundigheid van Elgar aanpakken? In één woord: pompeus.

Vreemd genoeg toomde Gardiner het Concertgebouworkest in Mahlers Rückert-Lieder prachtig in. De begeleiding van mezzo Ann Hallenberg – eveneens barokspecialist – was fijnbesnaard en passend. Hallenberg leek nog niet helemaal vrij in haar uitvoering, maar met haar lichte mezzo bereikte ze momenten van adembenemend pianissimo. Alleen de apotheose van ‘Am Mitternacht’ deed wat geforceerd aan. Het sublieme houtensemble waarmee ‘Ich bin der Welt abhanden gekommen’ begint was vervoerend.

Over Elgars Tweede symfonie deed Gardiner een kwartier langer dan de componist op zijn eigen opname uit 1927. Er werd met grote precisie gemusiceerd, maar te luid en met te veel aplomb. Het frenetieke openingsdeel kreeg een pathos dat Elgars statig-carnavaleske roesmuziek slecht paste. In plaats van het Larghetto te laten stromen sloeg Gardiner desastreus aan het boetseren. Het werd een feest van de nadrukkelijkheid. De manier waarop het excentrieke hamercrescendo in het Rondo gewelddadig uit de klauwen liep was een schaars moment van echte pit.

    • Joep Stapel