Een ziek mens, overhoop geschoten

Psychiatrische zorg

Cyprian Broekhuis (23) werd doodgeschoten door twee agenten. Hij was psychotisch. Een verhaal over de problemen in de ggz. ‘Elke patiënt die wordt opgenomen, hoort veilig in de kliniek aan te komen.’

Cyp op reis. Hij hield van trektochten maken in zijn eentje en van fotografie. In 2010 voer hij mee als leerling-matroos op driemaster De Amsterdam (rechtsonder). In het midden Cyp met zijn ouders.Foto’s Robert Broekhuis en Nan Romijn

Na de zes schoten blijft het stil. Alsof iedereen even verstijft. De twee agenten met getrokken wapen in de voorkamer. De derde, iets verderop. De hoofdagent, die vanuit de achterkamer, waar ook de drie ggz-medewerkers staan, zojuist over de telefoon vervoer aan het regelen was voor de opname van de psychiatrisch patiënt. Allemaal zien ze hoe de 23-jarige jongen, dezelfde die zojuist nog rustig op de rand van zijn bed zat, met meerdere kogels in zijn buik achterover valt op datzelfde bed.

„Ik dacht dat hij een mes trok”, hoort één van de ggz-medewerkers een agent zeggen. Hij ziet de hoofdagent naar de patiënt lopen en een rond zwart busje of voorwerp naar achteren op de grond gooien. Terwijl een poging wordt gedaan de jongen te reanimeren hoort hij hem zeggen: „De mannen die geschoten hebben moeten weg uit de situatie”.

De Rijksrecherche is snel ter plaatse in het appartement éénhoog in Amsterdam-Oost, 7 september 2016. Telefoons worden in beslag genomen, niemand mag de woning betreden en een uur later beginnen de verhoren. Althans, voor de drie ggz-medewerkers. Twee hadden alleen de schoten gehoord en toen opgekeken. Eén had de patiënt plots zien opstaan en zijn arm zien strekken richting een agent. Geen van hen heeft, tijdens of na afloop, een mes gezien.

Een dag later verhoort de Rijksrecherche de twee agenten die níét geschoten hebben. Eén verklaart dat hij de patiënt zag dreigen met een mes. Hij heeft het mes later zien liggen op het bed. Waar het is gebleven weet hij niet. De ander zag het mes haar kant op rollen en zegt het een schop te hebben gegeven.

De dag dáárna verhoort de Rijksrecherche de twee schutters. Die verklaren dat de patiënt plotseling opstond, uit zijn broekzak een mes trok en het op een van hen richtte. Wegstappen kon niet meer, zegt een. Hij had ‘doodsangst’ ervaren. Het mes had daarna tussen de benen op bed gelegen. De ene schutter had de andere het mes zien oppakken en op de grond zien leggen onder het roepen van ‘mes’.

Na een doorzoeking vindt de forensische opsporing in de achterkamer onder de bank twee voorwerpen, pal naast elkaar. Een survivalmes, en een zwarte ronde zaklamp. De jongen is dan al overleden in het ziekenhuis. Zijn naam: Cyprian Broekhuis.

De agenten worden niet vervolgd, maakte het Openbaar Ministerie deze week bekend. Er was geschoten uit noodweer, is de conclusie op basis van de getuigenverklaringen.

De ouders gaan tegen de beslissing in beroep. Zij vinden: elke patiënt die wordt opgenomen, hoort veilig in de kliniek aan te komen. Punt. En deze patiënt was toevallig hun zoon, een ziek mens, ‘overhoop geschoten als een dolle hond’.

Het onderzoek van de Rijksrecherche roept vragen op, vinden ze. Over het incident: als hun zoon een mes trok, waarom waren deze agenten dan niet op hun taak berekend? Waarom konden ze niet wegstappen?

Ggz is er voor de patiënt, politie voor de veiligheid

De ouders hebben ook vragen over het verloop erna. Waarom zijn de schutters pas na twee dagen verhoord terwijl de ggz-medewerkers direct aan de beurt waren? Waarom hebben ze nog vóór de verhoren een interne evaluatie kunnen houden – waarin naar eigen zeggen niet inhoudelijk over het incident is gesproken? „Verklaringen kunnen op elkaar zijn afgestemd”, zegt Wieteke Drummen, advocaat van de nabestaanden. „Mes of geen mes, de mogelijkheid van een doofpot had voorkomen moeten worden.”

De ouders willen dat de zaak in de openheid van een rechtszaal wordt behandeld. „Dat er recht gedaan wordt.” Het verlies van een mensenleven, vinden ze, mag niet zonder consequenties blijven. Het gaat hen niet alleen om het moment van schieten. Dat moment, zeggen ze, had er helemaal niet mogen zijn. Voor hen telt ook de aanloop ernaartoe. De manier waarop de samenleving omgaat met schizofrenen. Het feit dat hun zoon al maanden alle zorg buiten de deur kon houden.

Als een satelliet

Hij schenkt koffie in, zij heeft een flan gebakken. ‘Cyp’, noemden Nan Romijn en Robert Broekhuis hun zoon. Hij is beeldend kunstenaar, zij paramedicus. Ze kijken uit het raam naar de verlaten skatebaan aan de overkant van de gracht. Daar was Cyp als puber geregeld te vinden. Dan zagen ze hem buiten met andere kinderen. Niet spelend, maar cirkelend eromheen, als een satelliet.

Hun zoon is al vroeg ‘anders’. Een bijzonder kind, maar moeilijk. Douchen, spelen, niks gaat ‘gewoon’. Het is hun enig kind, vergelijken kunnen ze niet. Pas als Cyp naar de basisschool gaat valt hun zijn ontwikkelingsachterstand op. Een leuk oudergesprek zit er nooit in. Cyp verkeert in zijn eigen wereld. Hij is rustig, teruggetrokken. Vrienden maakt hij niet. Als een klasgenoot achterop de fiets ‘Hé Cyp!’ roept, reageert hij niet. ‘Hé Jorrit!’ roepen zijn ouders dan terug.

Praten vóór Cyp wordt hun tweede natuur. „Plooien en gladstrijken” noemen ze het. Ze worden de spil tussen hem en de wereld. Een wereld die hem niet past. Het pijnlijke is dat Cyp, trots en intelligent, dat feilloos doorheeft. Hij voelt zich een minkukel, een eenling. Hij heeft kenmerken van autisme, maar niet de diagnose. „Wij zeiden altijd: Cyp lijdt aan de ziekte van Cyp.”

Het gewone is er óók. Gezellig grapjes maken op de bank. Als Cyp op zijn elfde kan lezen haalt hij de hele jeugdliteratuur in één keer in. Amnesia, Paralitis, Ascendio; alle toverformules van Harry Potter kent hij uit zijn hoofd. Hij maakt gedichten, ragfijne pentekeningen, ‘wonderlijke’ verhalen vol vreemde wezens.

Op zijn zestiende gaat Cyp naar de Zeevaartschool in IJmuiden en leert hij lassen en kaartlezen tussen de ruwe bonken. Zijn droom, schipper op de grote vaart, komt dichtbij als hij in de zomer van 2010 meedoet aan een zeilrace. Hij gaat mee als leerling-matroos op een driemaster en rolt de zeilen hoog in de mast. Apetrots komt hij weer aan in Amsterdam, een overwinning op zichzelf. Het is de laatste keer dat zijn ouders hem zo gelukkig zien.

Schizofrenie openbaart zich meestal na de puberteit. Je ervaart perioden van psychosen. De ziekte maakt angstig, je begrijpt je omgeving niet meer. Hersenactiviteit verandert en alle prikkels komen even hard binnen. Hoofd- en bijzaken zijn niet meer te scheiden, alsof je een tekst leert en alles geel markeert. Om orde te scheppen leg je verbanden die er niet zijn. Je wordt achterdochtig. Velen zien waanbeelden, horen luide stemmen die door elkaar heen praten.

Je zondert je af om prikkels te ontvluchten. Je vervreemdt van de buitenwereld, de buitenwereld van jou. Vrienden en kennissen laten het afweten en alleen je ouders blijven over. Maar juist zij die het meest dichtbij staan, zich met je bemoeien, worden door jou het meest gewantrouwd. Die duw je het hardste van je af.

2003: Kennemer duinen
2010
2010: Op het achterdek van de boot Stad Amsterdam
2011: Robert, Cyprian en Nan.

Vergiftigd kraanwater

Zomer 2012, Cyp draait dag en nacht om en sluit zichzelf op in zijn kamer achter de computer. Eén hap aan de eettafel en hij vertrekt weer. Robert en Nan gaan met hem naar de huisarts. Die verwijst door naar Mentrum. Een serie gesprekken met onder meer een psychiater draait op niets uit. Zijn ouders, bezorgd, proberen de artsen te overtuigen van een opname. Maar Cyp, inmiddels meerderjarig, weigert behandeling.

Het loopt uit de hand. Cyp hoort zijn ouders fluisteren, denkt dat het kraanwater vergiftigd is, zijn computer gehackt. Op het politiebureau wil hij zijn ouders aangeven. Op een nacht wandelt hij vijf uur door de binnenstad, zijn vader erachteraan. Cyp is de officier, Robert de ondergeschikte. Cyp voelt aan het oor van zijn vader of die een zender in heeft.

Lees ook Virtual reality-film laat je door de ogen van verwarde man kijken

Die eerste acute psychose is een ronduit schokkende ervaring, zegt Nan. Je weet dat het volkomen mis is, maar welk label hang je eraan? Een eerdere ervaring ontbreekt. En je komt erachter dat je er helemaal alleen voor staat. „Alsof iemand ligt dood te bloeden en de ambulance komt maar niet.”

Op een nacht, januari 2013, bellen zijn ouders de crisisdienst. Die stelt na een huisbezoek de diagnose ‘psychose’ vast en vertrekt weer. Ten einde raad bellen zijn ouders 112. Robert zegt dat hij een dreun heeft gekregen van zijn zoon. Cyp is niet agressief. Hij kan wel boos zijn, dan loopt hij doorgaans weg. Maar zijn vader móét liegen. Het is de enige manier om Cyp opgenomen te krijgen. Ze zien hun zoon geboeid weggevoerd worden in een politieauto.

Je weg vinden in de geestelijke gezondheidszorg kan een hele kunst zijn. Een wond in het hoofd is niet zo zichtbaar als op de arm. Je moet als ouder al het geluk hebben dát een huisarts wil doorverwijzen. Veel mensen in een psychose hebben geen ziektebesef en kunnen op momenten normaal functioneren. Huisartsen denken eerder aan overspannenheid.

Als opname lukt verandert de verhouding tussen de schizofreen en zijn omgeving. Hij is boos, waarom ben ik hier? Hij geeft zijn ouders de schuld. Er knapt iets in de relatie. Een meerderjarige patiënt mag zorg weigeren en zijn ouders hebben nauwelijks een stem. Privacywetgeving staat hen in de weg. En waarom zouden zorgprofessionals naar ouders luisteren? Toch groeit ook bij de ggz het besef dat in het leven van een patiënt behandelaars passanten zijn. Ouders zijn er voor altijd.

Sloffend door de gangen

De eerste keer dat Robert en Nan hun zoon bezoeken op de gesloten afdeling van een kliniek is Cyp vooral ‘nukkig’. Hij draait snel bij. Elke dag komen zijn ouders langs. Robert en Nan zijn opgelucht dat hun zoon is opgenomen, al beangstigt de omgeving hen ook. Al die jongens met hangende schouders sloffend door de gangen. Velen krijgen nauwelijks bezoek. „Ze vonden dat ik opgenomen moest worden”, hoort Robert twee oude mannen tegen elkaar zeggen. „Dat ‘ze’, dat is dus de wereld van de patiënt.”

Na drie weken opname keert Cyp ‘gestabiliseerd’ terug naar huis met medicatie en een verwijzing naar het VIP – Vroege Interventie Psychose. Maar na vijf maanden laat de zorginstelling weten dat Cyp toch niet in aanmerking komt. Hij scoort onvoldoende op een neuropsychologische test. „We zijn hard bezig een goede plek voor Cyprian te vinden”, mailt de instelling. „Helaas kost dat tijd.”

Het is de opmaat voor een rits aan ‘intakes’, ‘consulten’ en ‘verkennende gesprekken’ bij instellingen en woonprojecten. Mentrum, Y Castle, Home Alone, Het Leo Kannerhuis, IQ Coaches, woongroep Evolutie, de Paardenweide, Stichting MIES. Er zijn eerste- en tweede rondes en Robert en Nan sturen wervende motivatiebrieven, inclusief foto’s om aan het profiel van de kandidaat-bewoner en diens verzorgers te voldoen. „Dank voor uw aanmelding”, horen ze terug. „De wachttijd kan anderhalf jaar bedragen.”

Cyp, die in aanmerking komt voor 24-uurszorg, woont nog altijd thuis. Intussen heeft hij besloten te stoppen met zijn medicatie. Die maakt hem duf en kilo’s zwaarder. Daarna is het al snel weer mis. Hij hoort stemmen en gooit ’s nachts urenlang een balletje door zijn kamer. In januari 2014 loopt Cyp met zijn ouders over straat en zegt plots: „Ik zie echt wel dat je de stoplichten expres op rood zet, hoor”. Hij rent ervandoor. Vier dagen later wordt hij gevonden in Den Helder.

Dank voor uw aanmelding, horen de ouders van Cyp. De wachttijd kan anderhalf jaar bedragen

Cyp verblijft een half jaar op een open afdeling en verhuist in juli tot vreugde van zijn ouders naar een vaste woonplek. Een eigen kamer bij Parkrand in Amsterdam. De woonkamer deelt hij met drie autistische jongens. Hij ontvangt woonbegeleiding van een nieuw team begeleiders dat verderop in de gang verblijft. „Ziet er goed uit, vind je niet?”, mailt Nan haar zoon. „Hasta la mañana.”

Sleutelen aan een hoofd is anders dan aan een auto. Alles draait om vertrouwen. Als je stemmen hoort, vertel je dat je begeleider? Niet als dat steeds een ander is. Niet als je nét contact hebt gemaakt en hoppa, weer een nieuwe krijgt. Die óók nog eens een spuit in je kont zet.

Juist de zwaarste patiënten, meest gebaat bij continuïteit, ervaren de meeste versnippering. Zij zien de meeste behandelaren, de meeste woonvormen. Een passend hulpaanbod vinden voor hen kost tijd en wie intensieve zorg ontvangt heeft aan één begeleider simpelweg niet genoeg. In de ggz zijn altijd reorganisaties en ook het zorgsysteem speelt een rol. Het is verdeeld in echelons: basis-, eerste-, tweede- derdelijnszorg. Patiënten worden permanent op- en afgeschaald. Een langdurige relatie tussen patiënt en behandelaar zit er niet in.

Cyp op reis. Hij hield van trektochten maken in zijn eentje en van fotografie. In 2010 voer hij mee als leerling-matroos op driemaster De Amsterdam (rechtsonder). In het midden Cyp met zijn ouders.

2015
2015: in IJburg
2013: tekening van Cyprian

Nachtelijk telefoontje

Na de verhuizing heeft Cyp het moeilijk. Hij heeft nieuwe medicatie gekregen en die slaat niet aan. Hij ervaart angstaanvallen, hoort stemmen, ziet demonen. Erover praten doet hij zelden. Zo’n tweemaal in de week worden zijn ouders ’s nachts gebeld om hem op te halen van Parkrand. Nan raakt stilaan burn-out en Robert heeft al tijden geen kwast meer aangeraakt.

Cyp heeft zijn dromen bijgesteld. Hij wil outdoor-specialist worden. Zijn geld gaat op aan overlevingsspullen. Een ultrawarme slaapzak, high tech kampeermes, state of the art thermosfles. Wandelen geeft hem rust. Met een overvolle backpack maakt hij tochten langs de kust, loopt van Maastricht naar Luik. Maar de waanzin wint het van het avontuur. Hij is opnieuw gestopt met zijn medicatie en na dagen van stilte ontvangen zijn ouders plots een nachtelijk telefoontje van de politie in Zwitserland. Of ze hun zoon, verward aangetroffen in een bergdorp, komen ophalen uit de kliniek.

De psychiater van Cyp schaalt de zorg op. Hij komt alsnog onder behandeling van het VIP, waarvoor hij eerst geweigerd was, en krijgt een nieuwe vaste begeleider. Zo betrokken als hij maar wensen kan, zeggen zijn ouders. Het is iemand die Cyp aan het praten krijgt. Na wat twijfel krijgt Cyp een twinkeling in zijn ogen en beginnen de filosofische gesprekken.

In zijn kamer staat Cyp er alleen voor

Maar het blijft aanmodderen. Cyp verschanst zich op Parkrand nachtenlang achter de computer. Hij vertrouwt niemand meer en als zijn begeleiders vragen hoe het gaat, schreeuwt hij door de deur: „Goed genoeg”. Hij heeft er genoeg van. Van alle gesprekken, alle behandelaren – zijn ouders hebben er 35 geteld. In mei 2015 wordt hij opgenomen en voor het eerst uit hij dreigende taal. Hij zegt dat als de zorg niet zal stoppen, hij wapens zal gebruiken zoals Tristan van der Vlis. Daarop verhuist Cyp naar een gesloten afdeling, hij zal later zijn excuses aanbieden. Vanaf september ontvangt hij gedwongen medicatie en gaat hij eerst terug naar een open afdeling en daarna naar zijn kamer op Parkrand.

Daar gaat het op 1 maart 2016 mis. Cyp, geen opruimer, is ’s avonds aan het gamen in de woonkamer als een huisgenoot met smetvrees ziet dat hij het afwaswater in de gootsteen heeft laten staan. De huisgenoot gooit borden op de grond en er ontstaat een woordenwisseling met bedreigingen over en weer. De huisgenoot pakt een keukenmes en richt ermee op Cyp. Die staat te trillen op zijn benen en doet de volgende ochtend aangifte.

De situatie op Parkrand is onhoudbaar geworden en de zorgverlener besluit voor Cyp een nieuwe plek te zoeken. Veel keuze is er niet en Cyp komt tijdelijk terecht op een éénkamerwoning in de Wagenaarstraat in Amsterdam-Oost. Zelfstandig wonen is al langer zijn wens en met duidelijke afspraken en regelmatig bezoek van zijn vaste begeleider moet het lukken, denkt de zorgverlener.

Dichte gordijnen

Moet je iemand met schizofrenie wegstoppen in een psychiatrisch ziekenhuis? Opvattingen daarover veranderen vanaf de jaren 70. De kliniek is niet langer het ideaal. Bezoek de patiënt in zijn eigen woonomgeving, is het idee, dat brengt meer rust. De laatste jaren is door bezuinigingen de afbouw van ‘bedden’ in een stroomversnelling geraakt. In principe niets mis mee, mits de patiënt die zorg aan huis aankan. En mits die zorg aan huis voldoende zou zijn opgetuigd.

Maar vooral in de grote steden is een gebrek ontstaan aan psychiatrisch verpleegkundigen die de stad doorkruisen om iedereen te bezoeken. Elke ambulant verpleegkundige heeft zo’n twintig cliënten onder zijn hoede. Op het Digibord ziet hij elke ochtend welke cliënten acute zorg nodig hebben, anderen moeten dan maar even wachten. Het risico is dat die anderen ongezien blijft totdat het écht misgaat. Het is een van de redenen dat het aantal gedwongen opnames toeneemt.

In de Wagenaarstraat houdt Cyp de gordijnen dicht. Dat deed hij op Parkrand ook, maar toen was er altijd nog wel iemand in de buurt die even op zijn deur klopte, om te polsen hoe het gaat. Nu staat Cyp er alleen voor. Hij leeft ’s nachts, eet vooral brood en komt zijn huis nauwelijks uit. Op Marktplaats doet Cyp een bod op een zeilbootje. Liefst wil hij wegvaren van alles. Hij is teleurgesteld in zichzelf. Hij stopt met de dagbesteding op een zorgboerderij. Hij raakte er eens overstuur toen een geitje zijn kop afdraaide terwijl hij de fles gaf – dacht dat het aan hem lag. Afspraken met zijn begeleiding over contact, dagbesteding en de betaling van zijn rekeningen komt hij al snel niet meer na. Zijn begeleiders maken zich zorgen, zijn ouders ook. Maar met Cyp over zijn problemen praten is moeilijk. Zijn telefoon staat ook vaak uit en zijn begeleiders staan regelmatig voor een dichte deur. Het contact verwatert.

Tot Cyp een week voor zijn overlijden ineens bij zijn ouders op de stoep staat. Het is ouderwets gezellig en hij vertelt over het boek waarmee hij bezig is. Een fantasyroman. Met zeldzame openheid vertelt hij over de onmogelijkheden van medicatie. En dat hij in het leven méér van zichzelf verwacht. „Je hóéft geen geld te verdienen”, zegt zijn vader. „Probeer iets te doen waar je je ei in kwijt kunt.” Hij oppert fotografie, een hobby van Cyp, en merkt opluchting. „Ah, zo kan het óók.” „Zou je het oké vinden om weer met andere jongens in een huis te wonen?” vraagt hij. Cyp krijgt een kleur. „Liever met een meisje.” Het is de laatste keer dat ze hun zoon in leven zien.

Als Cyp een paar dagen later onverwacht zijn telefoon opneemt, besluit zijn vaste begeleider direct te komen. Cyp moet zijn maandelijkse medicatie krijgen. Binnen oogt hij redelijk ontspannen, zijn huis is opgeruimd. Maar dan begint zijn begeleider over curatele en de afspraken die hij niet nakomt. Cyp wordt boos. Hij maakt zich groot en begint te schelden. „Oprotten”, zegt hij. „Als je nou niet weggaat steek ik een mes in je rug.” Overhaast verlaat de begeleider het appartement. Hij vergeet zijn jas en belt een paar minuten later opnieuw aan, waarna Cyp zijn jas aanreikt. Medicatie geven is niet gelukt.

Moet Cyp na vijf maanden in de Wagenaarstraat gedwongen worden opgenomen? Het zorgteam zoekt alvast een plek en besluit dat een onafhankelijk psychiater hem moet zien. Die staat twee dagen later, op 7 september, samen met zijn vaste begeleider bij Cyp voor de deur. Maar hij geeft niet thuis, de gordijnen zijn gesloten. Terwijl zijn telefoon bij uitzondering wel overgaat. Zijn vaste begeleider vreest suïcide. Cyp heeft het daar wel eens maar niet vaak over gehad. Hij besluit over een uur opnieuw aan te bellen. Ditmaal met politieassistentie.

Cyp zegt dat als de zorg niet zal stoppen, hij wapens zal gebruiken zoals Tristan van der Vlis

Vluchtwegen vrijhouden

Een gedwongen opname is een kortdurende samenwerking tussen ggz en politie. Ggz is er voor de patiënt, politie voor de veiligheid. Iemand met een psychose wantrouwt de wereld die hij niet begrijpt. Dat maakt onvoorspelbaar, zijn stemming kan zomaar omslaan van rustig naar agressief. De samenwerking tussen ggz en politie verloopt over het algemeen naar tevredenheid, maar er zijn ook incidenten. Dat is eerder al reden geweest voor onderzoeken waarin agenten laten weten moeite te hebben met de omgang met psychiatrische patiënten. Het ontbreekt hen aan voldoende scholing en sommigen hebben volgens ggz-artsen onvoldoende de-escalatievaardigheden.

Overleg vooraf is van belang. Wie staat waar, wat kun je verwachten? Als de situatie het toelaat neemt de arts het voortouw en gebeurt het binnenkomen niet met kabaal. Voldoende afstand tot de patiënt is van belang: voor iemand die angstig is, staat een ander al snel te dichtbij. En vluchtwegen vrijhouden, je moet kunnen weg stappen. Je moet maximaal bang zijn, pas dan kun je veilig werken.

Verbaal agressief

Het is de warmste 7 september in honderd jaar. Vier agenten horen ’s middags van de meldkamer over een mogelijke suïcide. Voor de deur in de Wagenaarstraat praat de vaste begeleider hen bij. Ze horen over een jongen die veel en alleen thuis zit. Dat de jongen twee dagen eerder heeft gedreigd zijn begeleider neer te steken. Dat er mogelijk messen in huis zijn, maar dat de jongen altijd alleen verbaal agressief is geweest. Een agent trekt in het systeem zijn antecedenten na. Cyp is alleen een paar keer vermist geweest.

Aanbellen geeft geen gehoor. De politie gaat voorop de trap op en een agent bonkt een aantal keer met zijn vuist op de voordeur onder het roepen van „Politie!” Het blijft stil en met een sleutel, gekregen van een begeleider, opent hij de deur. De kamer is schemerig en op de grond liggen kabels en outdoorspullen. Zeven mensen lopen de kamer binnen. Ze zien op bed een jongen liggen in zijn slaapzak. De jongen kijkt wat versuft op en gaat voorovergebogen zitten op de rand. Twee ggz-medewerkers beginnen tegen hem te praten. De agenten zwijgen. De jongen oogt afwezig, niet bedreigend. Hij trekt zijn broek aan. De agenten kijken de kamer rond en leggen een schaar, mesje en geodriehoek weg.

Ze merken dat het wat grimmig wordt als de vaste begeleider begint over de bedreiging eerder die week. Dat Cyp hem zou steken met een mes. Cyp zegt dat hij dat ook zal doen als hij nu niet ophoudt. Dat hij geen zorg wil. Twee begeleiders vertellen Cyp dat hij gedwongen zal worden opgenomen en lopen even later naar de achterkamer. De agent die aan het voeteneinde met zijn rug tegen de muur staat zegt tegen de jongen dat hij hem wil fouilleren. De jongen springt op en zegt: „Dat gaan we niet doen. Dat doen we niet. Je mag niet aan me komen.”

Sinds Cyp ziek werd hebben Robert en Nan geleefd met de telefoon naast het bed. Nu slingert de telefoon ergens door het huis. Hun leven lijkt weer gewoon, ze zijn bevrijd van angsten, maar ten koste van wat? Ze missen Cyp vreselijk. „Je blijft zo dor achter.”

Voor dit artikel is o.a. gesproken met Bert Stavenuiter, directeur van stichting Ypsilon, Niels Mulder, hoogleraar oggz aan Erasmus MC, Bert van Hemert, hoogleraar psychiatrie bij het LUMC en zorginstelling Arkin waar Cyp cliënt was.
    • Freek Schravesande