Recensie

Een verzameling brokstukken en missers

Boek van de week

Tommy Wieringa vertelt weer een migratieverhaal. Ingrediënten genoeg, maar er is van alles misgegaan.

Tekening Paul van der Steen

Het begin ademt grootse ambitie. Daar doet Tommy Wieringa (1967) de grote greep die we met zijn statig-klassieke schrijversstem associëren. Als de verteller van een migratiedocumentaire begint hij zijn verhaal bij de eerste golf die ooit over de Middellandse Zee joeg, vervolgt hij met de galeien, de galjoenen, de cruiseschepen die de wateren in de loop der eeuwen bevoeren, en eindigt hij bij de corridor die de zee werd voor trekvogels en, in het heden, bootvluchtelingen. Hij tekent dit onvergetelijke beeld: ‘De neanderthalervrouw wier gebeente op een dag gevonden zal worden in een grot in de Rots van Gibraltar, kan vanaf de flank van haar berg de berg aan de overkant zien’, schetst Wieringa meteen het onontkoombare thema van De dood van Murat Idrissi: ‘Het leven daar raakt niet aan het hare. Te ver weg.’

Dat is mooi en schept verwachtingen. Na Dit zijn de namen (2012) schrijft Wieringa dus opnieuw een migratieverhaal. Zoals hij in die roman een plot over migratie in het heden een religieus-historische, apocalyptische onderstroom meegaf, dat was grootse literatuur. Maar zo secuur als die roman gecomponeerd was, zo veel is er nu misgegaan.

De ingrediënten – op basis van het feitenrelaas van een rechtszaak – zijn nog veelbelovend. Na zijn apodictische proloog zoomt Wieringa in, op een veerboot tussen Noord-Marokko en Zuid-Spanje. Daar staan Ilham en Thouraya, twee jonge, Marokkaans-Nederlandse vrouwen, die in de kofferbak van hun huurauto een vluchtende man meevoeren, als was hij hun reserveband. Ooit maakten hun vaders die oversteek, waarna zij opgroeiden en zomers ‘in dezelfde grauwe zee’ zwommen als alle Nederlanders. Toch ontsnappen ze binnenshuis nog altijd niet aan hun beknellende afkomst, terwijl ze daarbuiten juist hun afkomst moeten verloochenen om voor vol aangezien te worden.

Diepgravend loyaliteitsconflict

Genoeg complexiteit dus, voor een intrigerende roman over een diepgravend loyaliteitsconflict. Want Ilham en Thouraya rest, vinden ze, geen optie dan terugvallen op Marokko, al blijken ze ook volledig uit de toon te vallen in een krottenwijk in Rabat. Dan moeten ze hun loyaliteit maar tónen, vindt Saleh, een Marokkaans-Nederlandse kennis die geboren werd ‘voor de informele economie’. Hij haalt de jonge vrouwen over Murat mee te nemen: ‘We horen elkaar te helpen, toch?’

Hoe het met Murat afloopt in een boek dat De dood van Murat Idrissi heet, mag geen verrassing heten. Van spanning moet de novelle het dus niet hebben. Al na drie hoofdstukjes steekt er een bloederige hand onder het vloerdeel in de kofferbak uit, en is Murat gestikt.

Dat is, voor het verhaal, veel te snel. Wieringa vervlecht de verhaallijn die op de veerboot begon, met flashbacks naar de aanloop in Rabat en met karakterschetsende zinnen over het Nederlandse verleden van de twee vrouwen. Dáár moet het dus gebeuren, bij de psychologie. Maar voor je goed en wel bent gaan geloven dat de hoofdpersonen niet anders kónden dan Murat meesmokkelen, heeft het heden hen al ingehaald. Murat staat nog met een plastic tasje in Rabat, als voor de lezer zijn lijk al begint te stinken. Wat hun loyaliteit tegenover een dode nog is, dát wil je als lezer dan weten.

Dat is niet de enige technische misser, er zijn er vele. Ze doen de novelle aanvoelen als een verzameling brokstukken van wat een goede roman had kunnen zijn. Er zijn kleine missers, zoals een storend detail, dat me toch een poosje desoriënteerde: de auto van Thouraya en Ilham rijdt op pagina 61 ‘naar het westen’. Maar dat kan alleen maar larie zijn: van havenstad Algeciras richting Marbella rijden ze toch echt naar het oosten. Er zijn ook veel grotere missers, in de al genoemde dosering van informatie die de spanning smoort, maar ook in de techniek. Het is onverklaarbaar waarom vanaf hoofdstuk 7 ineens in de verleden tijd verteld wordt, terwijl we daarvoor in de tegenwoordige tijd over de Spaanse snelweg reden.

De verteller, die stem die eeuwen omspant, is nog het grootste probleem. Die wurmt zich meermalen het verhaal binnen, met zijn krullerige beschrijvingen. Krulzinnen kúnnen mooi zijn bij Wieringa, mits ze een doel dienen. Hier vervallen er te veel in nodeloze mooischrijverij.

Marokkanenclichés

Op die toon, van Wieringa de reisschrijver, van de alwetende verteller met zijn bovenmenselijke waarnemingen, bezingt hij ons Murats dood: ‘Klauwend, happend naar lucht zinkt hij naar de bodem van de zee’. Met het verhaal van Ilham en Thouraya heeft zulke taal niets te maken: zij praten juist in clichés (‘We doen dit samen,’ zegt ze. ‘Jij en ik, Toer…’). Die voortdurende stijlbreuken benadrukken de kunstmatigheid van het verhaal, en plaatst hen op afstand – de verteller is een sta-in-de-weg tussen de personages en de lezer die grip op hen probeert te krijgen.

Dat dat niet lukt, heeft een moreel bezwaarlijk gevolg: de Marokkaans-Nederlandse vrouwen krijgen heel weinig reliëf, en ontkomen daarmee niet aan de Marokkanenclichés die in de huidige Nederlandse maatschappij en politiek leven. Hun beweegredenen blijven die van ‘de ander’. Om heelhuids thuis te komen menen ze te moeten aanpappen met Marokkaans-Nederlandse jongens die ze onderweg tegenkomen. Ze zijn zó alleen, zo identiteitsloos en in paniek, dat ze maar terugvallen op de simpelste mensenwetten – ze pappen aan via de wijze van de ‘erotische economie’, zoals dat bij Wieringa heet (‘Zie het vrouwtjesdier, zoals ze over het warme asfalt op hen toeloopt.’). Dat gegeven had treffend tragisch kunnen zijn, maar is hier een van de clichés die zowel seksistische als etnische vooroordelen versterken.

Dat kan toch nooit Wieringa’s bedoeling zijn geweest, als een realistisch feitenrelaas hem ter inspiratie diende en hij de ontsimpelende kracht van literatuur hoog heeft zitten. Deze novelle, niet bij zijn vaste uitgever verschenen, had meer aandacht verdiend. Hopelijk is het een eenmalige misser.