De wereld als Beest, lang en zwart

Redacteur Margot Poll grasduint door de binnengekomen boeken en geeft haar eerste indruk.

Aan het Spaarne 17, tegenover Teylers Museum in Haarlem staat het Hodshonhuis, vernoemd naar Keetje Hodshon. Op haar tweeëntwintigste kreeg zij de beschikking over het familiekapitaal van 1.938.394 gulden waardoor ze de rijkste vrouw van Haarlem werd. Twee jaar later gaf zij de stadsbouwmeester van Amsterdam opdracht dit statige huis te bouwen. Zij heeft er 34 jaar, tot aan haar dood gewoond. In het Hodshonhuis bevindt zich nu de Koninklijke Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen. Wie was deze raadselachtige ‘bouwdame’, bewust ongetrouwd, die zelfs de bomen langs het Spaarne liet kappen om een mooier uitzicht te hebben? Dat beschrijft historica Els Kloek van onder andere lexicon.nl over 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis, samen met Maarten Hell in Keetje Hodshon (1768-1829) [1]

Paul Kingsnorth (1972) groeide op in Zuidoost-Engeland en woont nu in Ierland. Misschien dat zijn liefde voor de eenzame natuur daar is begonnen. In zijn roman Beest [3] heeft een man van een jaar of dertig zich teruggetrokken in een verlaten huis op de hei, tussen de heuvels, om zich te meten met het ‘grote niets’. Ten eerste is daar de strijd met de elementen: als noodweer zijn huis bijna met de grond gelijk maakt, spalkt hij zijn been en strompelt naar buiten. Want hij moet verder om het Beest te ontwaren: lopen, hinken, rollen door het ‘drasland’, staren naar de motregen. Hij ziet het Beest maar kan het niet aanraken. Het is lang, het is zwart. Geen hond, geen hert of vos maar, zo blijkt, een allegorie voor de wereld waarin wij leven. Dat is zijn tweede missie, wie ben ik en waar sta ik? Dertien maanden op jezelf is lang, met alleen de natuur als tegenspeler. Het resulteert in hallucinerend proza – laat de volgende storm maar komen.

Onderzoeksjournalisten van de Limburger Johan van de Beek en Claire van Dyck brengen in Sultan en de lokroep van de jihad [3] in kaart hoe drie jongeren uit Maastricht radicaliseerden en naar Irak en Syrië vertrokken. Eén van hen, Sultan Berzel, pleegt een zelfmoordaanslag in Bagdad. Zijn Koerdische vriend, die met hem mee op jihad gaat, sterft op het Syrische slagveld. De derde is een vrouw: Aïcha die ontsnapt uit Syrië en terugkeert naar Nederland. In tegenstelling tot de Haagse jihadverdachte Laura H. die ook terugkeerde met haar twee kinderen, wordt Aïcha bij aankomst in Nederland weer vrijgelaten. Ze gelooft nog steeds in de jihad. Waarom en hoe gingen deze jonge mensen naar Islamitische Staat? Wat is de achtergrond van Sultan en zijn geradicaliseerde vrienden. Hadden ze tegen gehouden kunnen worden? Komen we dichter bij een oplossing? Dit boek is daartoe een verhelderende aanzet.

    • Margot Poll