Recensie

Alexander was niet modaal

Alexander de Grote (356-323 v. Chr.)

Naar verluidt was deze koning een self-made man, die bankroet begon aan zijn expeditie tegen Perzië. De Texaanse oudheidkenner Frank L. Holt weet wel beter.

Detail ‘Alexander- mozaïek’, 1ste eeuw v.Chr., in Museo Archeologico Nazionale, Napels

Het zou misleidend zijn te beweren dat de Texaanse oudheidkundige Frank Holt een van de boeiendste auteurs is over de Oudheid. Veel alternatieven zijn er namelijk niet: Holt is een van de weinigen die nieuwe inzichten presenteert in boekvorm, ook voor het grote publiek. Zijn boeken zijn de moeite waard voor leek én vakman.

In het recent verschenen The Treasures of Alexander the Great neemt hij de mythe onder handen dat de Macedonische koning Alexander de Grote (356-323 v.Chr.) een self-made man was, die bijna bankroet begon aan zijn expeditie tegen het machtige Perzische Rijk. Zijn biograaf Arrianus legt de veroveraar dit in de mond: ‘Van mijn vader erfde ik een paar gouden en zilveren bekers en nog geen zestig talenten in de schatkist, én ongeveer vijfhonderd talenten aan schulden die Philippus had uitstaan. Daar bovenop leende ik zelf nog eens achthonderd talenten.’ (Een talent was een gewicht van zo’n 26 kilo.)

Arrianus’ woorden gaan terug op Alexanders eigen propaganda, maar kunnen onmogelijk juist zijn. Je hoeft de gouden voorwerpen in het archeologisch museum van Thessaloniki maar te zien om te constateren dat de Macedonische elite al vóór Alexander erg rijk was. Aanvullend bewijs hiervoor komt uit Groenland, waar elk jaar uit de sneeuw een nieuw ijslaagje wordt gevormd. Daaruit blijkt dat er na pakweg 500 v. Chr. meer zware metalen in de atmosfeer waren, wat duidt op intensievere exploitatie van de Macedonische mijnen. Als er al waarheid zit in de woorden van Arrianus, moet Alexander hebben geweten dat zijn armoede tijdelijk zou zijn.

Nadat Holt duidelijk heeft gemaakt dat de financiën van Alexander niet waren wat ze soms lijken, biedt hij een overzicht van diens inkomsten en uitgaven. Hoewel de auteurs van onze bronnen niet in dit onderwerp waren geïnteresseerd, is er verrassend veel over bekend. Of beter: deprimerend veel, want veel cijfers hebben betrekking op grootschalige plundering.

Een door Holt erkend probleem is dat de getallen soms wat verdacht zijn: ze zijn vaak erg mooi rond, er zijn soms schrijffouten gemaakt en niet zelden spreken de bronnen elkaar tegen. Desondanks zijn er duidelijke patronen, die de indruk wekken dat Holts analyse hout snijdt, zelfs als de individuele cijfers onbetrouwbaar zijn. Zo kan hij documenteren dat de ontvangers van Alexanders geschenken met elkaar rivaliseerden en maakt hij aannemelijk dat officieren, die moeite hadden met de oosterse bestuursstijl van hun koning, vaak opvallend oosterse geschenken kregen, waardoor ze vanzelf gewend raakten aan de nieuwe realiteiten.

Soms lijkt Holt, die zijn bronnen met gepast wantrouwen bejegent, toch iets te goedgelovig. Zo stelde Alexander, toen hij in 331 v.Chr. Babylon had veroverd, die stad de fondsen ter beschikking om een belangrijke tempel te herbouwen. Toen hij er acht jaar later terugkeerde, was de herbouw nog onvoltooid, wat de genoemde Arrianus wijt aan financiële malversaties. Holt neemt dit over, hoewel er kleitabletten zijn waaruit blijkt dat de werkzaamheden aan de tempel zijn doorgegaan. Er zijn meer momenten waarop je had gehoopt dat Holt zich meer had verdiept in de oosterse bronnen, maar het doet uiteindelijk aan het boek geen afbreuk.

Holt onderbreekt zijn overzicht met interessante observaties, zoals die over de hardnekkigheid van de clichés dat armoede goede krijgers creëert en rijkdom leidt tot decadentie. Dit denkbeeld helpt verklaren waarom de propaganda rond het sobere begin van Alexanders carrière zo hardnekkig is gebleven. Een andere observatie is dat Alexander de veroverde steden in het westen van het Perzische Rijk, die een gemengde bevolking hadden, etnisch zuiverde door de Perzische krijgsgevangenen als slaven te verkopen. Zo werden deze steden Griekser dan ooit tevoren.

Holt trekt nog enkele forse maar overtuigende conclusies. Het idee dat Alexander enorme hoeveelheden geld in omloop bracht en zo de economie een broodnodige stimulans gaf nadat de Perzen twee eeuwen lang het edelmetaal alleen maar hadden opgepot, is domweg onjuist, omdat lang niet alle buit werd omgezet in muntgeld. Daar waar we de prijzen in detail kunnen volgen, zoals in Babylon, blijkt uit niets dat de mensen er beter van werden. Alexander en zijn opvolgers gebruikten het geld alleen voor nieuwe oorlogen.

Dit is geen geschiedenis van Alexander met spannende veldslagen, bloedstollende moordpartijen en exotische volken, maar een verhaal over cijfers. Desondanks is het een boeiend boek en dat is geen geringe prestatie.

    • Jona Lendering