Trump aan de Amstel

Zie hem daar nou fietsen, de Amsterdammer, met op zijn voorwiel een krat alsof hij aardappelen rondbrengt, langs huizen die doorgaans laag zijn en op weg naar zijn werk dat niet verder weg mag zijn dan twintig minuten peddelen. Op de plek naast zijn voordeur hebben stoeptegels plaatsgemaakt voor plantenbakken: een privatisering van de publieke ruimte die hij heel normaal vindt.

Hij wil zijn straatgenoten kennen en verafschuwt daarom de vreemdelingen in zijn stad. Die lui trekken rolkoffertjes voort en spreken talen die hij niet kent, dat kan niets wezen.

Amsterdam wordt uitverkocht aan de buitenlanders, zo ziet hij dat. Het grote geld wordt allesbepalend en de eigenlijke bevolking heeft het nakijken. Het wordt tijd dat Amsterdam weer van de Amsterdammers wordt. De hijskranen in de stad beangstigen hem. Het heien en drillen en timmeren zijn de voorbodes van hoogbouw, van vervreemding, van de entree van nog meer elite. Nu weer die geplande wolkenkrabber ‘Fibonacci’ bij de Panamalaan in Oost: hij snapt niet dat die flat zestig meter hoog moet zijn.

Dat riep de Amsterdammer afgelopen week tijdens een inspraakavond: waarom kan dat niet wat lager? En waarom zo’n woongebouw vernoemen naar een buitenlander, naar „een Italiaanse konijnenfokker met een wiskundeknobbel”? De Amsterdammer leek het gebouw best mooi, riep hij, „maar niet vlak voor mijn huis”. Deze plek bij de Panamalaan, hoek Cruquiuskade, ligt sowieso gevoelig, want nu staat er nog een huisje waar ooit kippen en geiten werden gehouden, plus een ezel, en de kinderen kwamen er altijd zo graag…

Fietsend met dat krat op zijn voorwiel waant de Amsterdammer zich een grootstedeling. Intussen fluit hij Het Dorp van Wim Sonneveld.

Hij is in zoverre een voorstander van globalisering dat hij vanaf Schiphol eenvoudig de hele wereld moet kunnen bevliegen. Dat de hele wereld net zo eenvoudig zijn voormalige hippiestad aandoet voor een weekendje lol verdraagt hij niet. Na een aangenaam en betaalbaar verblijf in een airbnb te New York vervloekt hij de airbnb’ers in zijn buurt: ze verstoren de cohesie. Toch vindt hij zichzelf tolerant, progressief zelfs, en zonder problemen hekelt hij de achterlijke PVV’ers in Almere vanwege hun vreemdelingenhaat.

Mijn stad wordt een pretpark, schampert hij. Waarom trekt iedereen toch naar mijn achtertuin?

Hij snapt ook niet waar al die anonieme hipsters het geld vandaan halen om de godganse dag achter een laptop te zitten in de zoveelste buurtwinkel die een koffiezaak is geworden. Technologie en commercie maken de stad dynamischer, groter, rijker, drukker, vrijzinniger, en de Amsterdammer denkt: dit is mijn stad niet meer.

Soms droomt hij van een nieuwe eigenzinnige politicus die belooft te doen wat de echte Amsterdammer denkt. Van een steenrijke stadgenoot met maling aan het establishment die gewoon een muur laat bouwen. Ja, een muur om de stad, net als vroeger. De steenrijke machthebber stuurt de vreemdelingen weg en maakt van de hoofdstad weer wat het in de geest van de echte Amsterdammer eigenlijk altijd is geweest, een dorp.

Auke Kok is schrijver en journalist.

    • Auke Kok