Krisztina de Châtel kan Mondriaan of paprika zijn

Dans Désanne van Brederode schreef een boek over de relatie tussen dansen en denken in het werk van de Nederlands-Hongaarse choreografe Krisztina de Châtel.

Krisztina de Châtel in Voltage Control 2 uit 1978 Foto Sigel Eschkol

Voor de fotografe van het dubbelportret op de achterflap van haar boek Dans! Denk!, Leven en werk van Krisztina de Châtel haar erop attent maakte, was het Désanne van Brederode (46) nooit opgevallen. Maar inderdaad, Krisztina de Châtel (73), subject van het boek, zou haar oudere zus kunnen zijn. „Hetzelfde haar, dezelfde kleine oogjes, dat brilletje. Grappig.”

De verwantschap die zij met de Nederlands-Hongaarse choreografe is gaan voelen, gaat verder, dieper dan uiterlijkheden. Ze herkent zich in het perfectionistische en radicale van De Châtel. Beiden hebben een diepe liefde voor de filosofie en dans, zij het vanuit tegenovergestelde vertrekpunten. „Krisztina de Châtel ontdekte de filosofie tijdens en door het dansen, ikzelf ging de waarde van dansen inzien tijdens en door mijn studie filosofie”, aldus Van Brederode in het boek dat zij op verzoek van en in samenwerking met De Châtel schreef.

Beide invalshoeken komen samen in Dans! Denk! Een opmerkelijk boek, een hybride van biografie, diepte-interview, autobiografie, filosofische bespiegelingen van zowel De Châtel als Van Brederode en een making-of, met De Châtel als enige, ijverig meewerkende bron. Maar géén volledig overzicht van het choreografisch oeuvre, géén met veel studie van documenten opgebouwde, chronologische biografie, géén psychologisch duidend portret. Dat was nooit de intentie. Over de plaats van het denken in het dansen moest het gaan. Van Brederode: „Een groot deel van onze gesprekken ging over wat er op dát moment aan de hand was, in het nieuws, in haar werk, in Hongarije. Dat tekent haar. Ik ben erop gericht geweest Krisztina, zoals ze is, recht te doen.”

Haar werkmateriaal was kortom een wirwar van uiteenlopende elementen: van een hoogst vermakelijke herinnering aan de jonge dansstudente Pina Bausch, die destijds net als De Châtel aan de Folkwang Schule in Essen haar dansopleiding volgde, tot een uithaal naar de Nederlandse dansopleidingen; van een spannend afspraakje met een trambestuurder (die tot haar teleurstelling zijn uniform niet aanhad) tot intieme ontboezemingen over de grote liefde in haar leven, die ze tweemaal verloor; van een spontane lofzang op een huidolie („en dan ga ik nu even reclame maken…”) tot diepgravende overpeinzingen over het werk van de choreograaf, haar fascinatie voor structuren, het wezen van de dans, van kunst.

Van Brederode heeft al die losse draadjes in een structuur weten te vangen die een mooie reflectie is van de hink-stap-sprongen van De Châtels ideeën en gemoedsbewegingen. Daartussendoor weeft zij bovendien nog haar eigen bevindingen en gedachten.

Onschuldige kinderen

Dansliefhebster en euritmiebeoefenaar Van Brederode kende het werk van De Châtel al goed voor zij in 2015 door de choreografe werd benaderd. Het eerste stuk dat zij zag, Föld, overdonderde haar in 2003 volledig. In de choreografie uit 1985 graven zes dansers met een gestage stroom ritmische bewegingen een cirkelvormige aarden wal (een ontwerp van Conrad van de Ven) af. Van Brederode wijdt er een sensitieve, associatieve beschrijving aan: „Mensen die als slaven, gevangenen, minnaars, als daders, als beulen, als onverschillige getuigen en als onschuldige kinderen dansenderwijs de natuurlijke begrenzingen verkennen, bevechten, oprekken en ten slotte haast terloops, bijna per ongeluk, bij toeval, slechten. Om dan oog in oog met hun vrijheid te staan. Met elkaar.”

Als je dít hebt gezegd, waar lullen we dan nog over?

Het was een soort religieuze ervaring, vertelt ze over die eerste keer, een draaierig gevoel van eeuwigheid. Föld toont wat haar betreft alles waar mens-zijn over gaat. „Het gevoel dat niemand na Föld nog iets hoefde te maken. Als je dít hebt gezegd, waar lullen we dan nog over?”

In het boek wordt een verband gelegd tussen dit sleutelwerk en een filosofisch getinte passage uit Sándor Márais’ Bekentenissen van een burger, waarin hij schrijft over de eenzaamheid die het doelbewust uittreden uit de magische cirkel van de familie, het bekende en vertrouwde, met zich meebrengt. De Châtel herkent er het ontstaan van haar eigen kunstenaarschap in, en haar eenzaamheid. Die drukt soms zo zwaar dat alles zinloos lijkt en zelfs de kunst geen troost meer biedt. Toch is de dans er ook dan nog. Het beeld van De Châtel, dansend op de lege vloer van haar huiskamer, met hard Joe Cocker uit de speakers, is even mooi als hartverscheurend.

In Dans! Denk! vertelt de choreografe ook over de herkenning die zij voelde bij het lezen van Nader tot U van Gerard Reve, kort na haar komst naar Nederland: „Die zoektocht naar vrijheid, die moed om onzeker te tasten, te worstelen, zich bij alles vragen te stellen, zichzelf im Frage te stellen.”

Reve leidde haar terug naar haar oude liefde Nietzsche en veel later hielp filosoof Jan Flameling haar de inzichten te verwoorden die zij door de filosofie verkreeg in haar werk, maar ook in haar wezen. In beide zijn het apollinische en het dionysische, Nietzsches tegenstellingenpaar, even sterk aanwezig. De Châtel is, zoals zij zelf zegt, zowel ‘de afstandelijke Mondriaan’ als de ‘Hongaarse paprika’. Vorm en stilering zijn van het hoogste belang om het expressionistische niet in effectbejag te laten ontaarden, want „het mag geen emotionele bagger worden”.

Altijd onder constructie

Wat haar vooral heeft getroffen, zegt Van Brederode, is de consequente filosofische levenshouding van De Châtel. „Het is voor haar een onderdeel van het dagelijks er-zijn. Het vragen stellen is iets wat alles begeleidt. In bepaalde dingen ís ze die Hongaarse paprika, maar iedere ontdekking die ze doet over hoe het leven in elkaar zou kunnen zitten, neemt ze mee als werkhypothese, tot het moment dat iemand, een situatie, het leven, daar weer doorheen knalt. Dan is ze in staat haar mening te herzien. Filosofie is bij haar wat het moet zijn: altijd onder constructie.”

Dans! Denk! leest, met name in de passages met De Châtels bespiegelingen over haar werk, als een interessante, verdiepende appendix bij de geannoteerde biografie die nog niet is geschreven. Maar die er absolúút moet komen, vindt Van Brederode. Lachend: „Dat mag iemand anders doen.”

Hoewel het van meet af aan vaststond dat Dans! Denk! geen traditionele levensbeschrijving zou worden, had Van Brederode achteraf toch graag een aantal biografische elementen verder uitgediept. Het karakter van moeder De Châtel bijvoorbeeld, door haar dochter bondig als „moeilijk” omschreven. Uiteindelijk echter is de schrijfster tevreden over de ongebruikelijke vorm. „Of non-vorm. Maar het klopt wel. Je kunt niet op een leven terugblikken met iemand die niet terugblikkend van aard is.”

Désanne van Brederode, Dans! Denk! Leven en werk van Krisztina de Châtel. Querido; 255 pagina’s; € 18,99. Krisztina’s Keuze 2, met werk van vijf jonge choreografen. T/m 30/3. Inl: kdechatel.com

In een eerdere versie van dit artikel over het boek van Désanne van Brederode over choreografe Krisztina de Châtel wordt het ontwerp voor de voorstelling Föld toegeschreven aan Conrad van de Wal. Dit moet zijn: Conrad van de Ven.

    • Francine van der Wiel