Opinie

    • Maarten Schinkel

Hoe economie en kiezer elkaar negeren

De politiek lijkt op dit moment geen rol te spelen in de economie.

Er wordt gezegd dat de economie geen rol lijkt te spelen bij de verkiezingen. Maar misschien is het ook wel andersom: de politiek lijkt op dit moment geen rol te spelen in de economie. Zet het maar eens op een rij. In Nederland wordt rekening gehouden met een forse ‘proteststem’. In het buitenland maken ze zich daar overigens drukker om dan hier. Ons land geldt vooral als een mijnvogeltje voor de verkiezingen in Frankrijk.

In dat buitenland hadden we vorig jaar een Brexit, gevolgd door de Schok der Schokken: de verkiezing van Donald Trump. Die zendt, nu in functie, nog steeds seismische golven door het internationale gemoed. In Frankrijk volgt over twee maanden de verkiezing van een nieuwe president, waarbij een winst van Marine Le Pen niet kan worden uitgesloten. Waarschijnlijk is dat nog steeds niet. Maar vorig jaar hebben we op hardhandige wijze geleerd rekening te houden met het onwaarschijnlijke.

Intussen dreigt protectionisme en rammelt de euro. Maar hoe de dreiging en de suspense ook oplopen, in de economie merk je er weinig van. Of, eerlijk gezegd: nog helemaal niets.

Deze week kwam het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) met de zoveelste barrage van goed nieuws. Maandag: het vertrouwen van industriële producenten is het hoogst sinds 2008. Dinsdag: de omzet in de horeca stijgt verder, de omzet in de uitzendbranche groeit fors door en is nu al ruim boven het vierde kwartaal van 2008. Woensdag: het vertrouwen van ondernemers in de zakelijke dienstverlening is het hoogste in acht jaar. Wie overigens bij de deelindicatoren van dit ‘producentenvertrouwen’ de door de industrie gemelde voorraadpositie aftrekt van de gemelde orderpositie krijgt een alleraardigste, zij het wat wilde, conjunctuurindicator. Hoe groot zijn de orders, en hoeveel kun je nu leveren? Het wordt krap. Deze indicator staat inmiddels zelfs boven het vorige hoogtepunt van 2008. Geen wonder dat het CBS dinsdag meldde dat de industrie zich de grootste prijsstijging in vijf jaar veroorlooft.

Dalende werkloosheid, spuitende belastinginkomsten. Het is niet zo dat er geen verband met de economie zou kúnnen worden gelegd in de verkiezingscampagne. Maar dat gebeurt eigenlijk nauwelijks. Het gaat vooral over zorg, ouderen en vooral over het containerbegrip ‘identiteit’. Dat de oppositie de economische voorspoed als onderwerp mijdt, is begrijpelijk. Maar de coalitiepartijen zelf? Een gemiste kans, zo lijkt het. Tenzij het kiezerspubliek daadwerkelijk niet geïnteresseerd is.

Daar zijn aanwijzingen voor. Maandag publiceerde The New York Times een inzichtelijk historisch onderzoek van Gallup. Daarin werd, bij elke Amerikaanse presidentsverkiezing sinds 1935, aangegeven wat de kiezers in de Verenigde Staten belangrijk vonden. Het resultaat: economische onderwerpen doen het uitstekend in tijden van crisis. Maar als de economie herstelt, vallen ze ver terug.

Acht jaar geleden maakten economische onderwerpen zo’n 80 procent van de kiezersoverwegingen uit. Vier jaar geleden nog maar 50 procent. En nu slechts zo’n 20 procent. Dat is vergelijkbaar met rond de eeuwwisseling. En in de jaren zestig was het nóg minder: toen ging het zo lang zo goed dat de economie vrijwel geen rol speelde. Destijds ging het overweldigend over burgerrechten en de oorlog in Vietnam.

Nu is Nederland Amerika niet. Maar het ligt in dit geval voor de hand dat de kiezersaandacht in grote lijnen op dezelfde manier meegolft met de conjunctuur: hoe beter het gaat, hoe minder het speelt.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.

    • Maarten Schinkel