Ook Parijs beseft nu: hier werd Appel groot

Karel Appel woonde 27 jaar in Parijs, maar de musea hebben weinig werk van hem. Een schenking van 21 werken corrigeerde dat.

Karel Appel, Dieren boven de stad (1951), 130 x 161 cm

„Als Amsterdam de stad van mijn jeugd is, dan is Parijs de stad van mijn ontwikkeling”, zei Karel Appel in 1963 tegen Simon Vinkenoog. De tekst staat prominent in de catalogus bij de afgelopen week in het Parijse Musée d’Art Moderne geopende tentoonstelling Karel Appel: L’art est une fête en getuigt, volgens burgemeester Anne Hidalgo, van „de aantrekkingskracht van onze stad onder de allergrootsten”. „Prachtig”, zegt ook weduwe Harriët Appel-de Visser, wandelend tussen de schilderijen en beelden in het Palais de Tokyo. „Karel is altijd Hollander gebleven, maar hij heeft veel aan Parijs en de mensen hier te danken gehad.”

Zevenentwintig jaar woonde Appel na de oprichting van CoBrA (in een café bij de Notre Dame) in Parijs. Vooral de criticus Michel Tapié, die hij begin jaren vijftig leerde kennen, speelde een grote rol bij zijn doorbraak. Tapié organiseerde de eerste exposities en bracht Appel in contact met de New Yorkse galerist Martha Jackson. Sinds 2006 ligt Appel hier begraven op Père-Lachaise. „Maar in de Franse publieke collecties”, zegt Appel-de Visser, „was zijn werk vreemd genoeg heel mager vertegenwoordigd. Dat wilden we corrigeren.”

Nachtvogels(1949), 75 x 100 cm. Karel Appel

Het is de achtergrond van de gift van 21 werken van de stichting die Appels nalatenschap beheert aan het museum. „Hier konden ze de juiste context bieden”, zegt Appel-de Visser over de plek waar in 1982 al eens een grote CoBrA-tentoonstelling was. De werken maken deel uit van de expositie waar ook stukken uit het Stedelijk Museum en, onder andere, het bekende Vragende kinderen (1948) uit Centre Pompidou te zien is.

Inhaalslag

„We kennen hier de naam Appel, maar de reikwijdte van zijn werk is minder bekend”, erkent directeur Fabrice Hergott. „Het museum was vrij in de keus, legt conservatrice Chogkhate Kazarian uit. „Toen ik van de directeur deze opdracht kreeg, was ik bang dat het om mindere werken zou gaan. Maar ik stond versteld toen ik het aanbod zag.” De enige criteria waren voor haar „kwaliteit en representativiteit”, zegt ze. „We wilden een zo breed mogelijk beeld schetsen.”

Vijftien van de werken die naar Parijs zijn verhuisd hingen vorig jaar op de Appel-tentoonstelling in het Gemeentemuseum Den Haag. Zoals het naakt van Machteld (1962), de vroeg overleden muze van Appel. „Het is een eer”, zegt Hergott, „om dat voor Appel dierbare portret te hebben”. Terwijl de Haagse tentoonstelling als doel had een aantal hardnekkige clichés over Appel te ontmantelen, is de Parijse expositie „een inhaalslag”, zegt Franz Kaiser van de Appel Foundation.

„Appel stond met het ene been in Europa en met het andere in de VS. Maar doordat hij in 1954 al zijn eerste tentoonstelling in New York had, kregen Fransen de indruk dat hij definitief vertrokken was, ze verloren ze hem uit het oog. Alle hoofdfiguren van CoBrA verhuisden in 1950 naar Parijs, maar Appel is de enige die er ook is blijven hangen.” Anders dan Constant en Dotremont was hij ook veel minder kritisch op de stad. „Dat was aan Parijs een beetje voorbij gegaan. Maar we zetten het nu recht.”

Karel Appel: L’art est une fête Te zien in het Musée d’art moderne de la ville de Paris t/m 20/8.
    • Peter Vermaas