Opinie

    • Ellen Deckwitz

Muziek

Column Ellen Deckwitz

Afgelopen weekend zat ik in een taxi en kwam het gesprek op muziek. De chauffeur leefde ervoor: hij had in zijn auto een speciaal speakersysteem laten bouwen waardoor het geluid als het ware door je heen werd geblazen. „Het is net echt!” gilde hij boven de uithalen van Di-Rects Marcel uit. Ik vond het heerlijk, maar voelde me ook eenzaam.

Ik kom uit een omgeving waar muziek het hoogste goed is. Als tiener stelde je je voor aan de hand van de bands die je aanhing, familieruzies gingen zelden over hoe laat je thuiskwam maar over of het nu de Beatles of de Stones waren die het standbeeld verdienden. We hadden geen behang aan de muur maar lp’s.

Zelf hield ik in die tijd voornamelijk mijn mond. Ja, ik was dol op het werk van Tori Amos en System of a Down, maar de hartstocht die de mensen om me heen hadden voor muziek, ontbeerde ik. Het slapen voor een platenzaak vanwege een nieuw album, het afstruinen van concerten en festivals: het hoefde voor mij niet. Wat misschien hielp was dat God en ik in die tijd nog redelijk goed door één deur konden. Enkele klasgenoten waren van hun geloof gevallen en vulden de leegte die dat achterliet op met Nirvana, Apocalyptica of Genesis. Ik hoefde niets te vervangen en bleef dus in zeker opzicht doof.

Ik heb me hier lang voor geschaamd. Het voelde alsof ik een stuk menselijkheid miste en het heeft jaren geduurd voor ik met dit anders-zijn uit de kast durfde te komen. Want hoe je het ook wendt of keert: zeggen dat je best zonder muziek kan, suggereert ook dat je ziel uit een plak beton bestaat.

Toen ik aan een vriend eindelijk opbiechtte dat er weken voorbijgaan zonder dat ik een plaat opzet, sprongen hem de tranen in de ogen. „Je loopt zoveel mis!”, snikte hij. Pas toen kon ik erom rouwen. Het is een zware gedachte dat we niet zomaar van dingen kunnen houden. Dat er een aanleg moet zijn om iets lief te hebben, en dat we geen grip hebben op het bestaan van deze aanleg. Het voelt alsof mijn hart in zeker opzicht onaf is. „Wat ik verlang dat maakt me rijk”, zingt Wende Snijders in Vrij me en zo voelt het: ik ben arm, omdat iets wat velen zo gelukkig maakt, mij relatief onbewogen laat.

Gisteren zat ik in de trein naast een jongen die een koptelefoon droeg. Keiharde muziek ontsnapte soms tussen oor en dopje. Hij trommelde mee op zijn benen. De koptelefoonsnoertjes waren voor hem sondevoeding. Ik minachtte mezelf om mijn magerte, om het vermogen geen honger te hebben.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

    • Ellen Deckwitz