Splitsing in Italiaanse regeringspartij

Verdeeldheid op links De populisten ruiken een kans door de scheuring binnen de regerende Democratische Partij. Uiterlijk volgend jaar zijn er verkiezingen.

Van de kemphanen in zijn partij heeft oud-premier Matteo Renzi veruit de meeste steun onder linkse kiezers. Foto Antonio Calanni/AP

„Tot de menselijke pathologieën behoort ook zelfmoord.” Of: „Iedere keer dat links zich heeft opgedeeld, heeft het grote schade berokkend aan het land.” En als ultieme waarschuwing: „Op het moeilijkste moment van de geschiedenis van Italië en zijn democratie, bestaat het risico dat door de verdeeldheid van links politieke krachten de overhand krijgen die niet in staat zijn dit land een veilige toekomst te garanderen.”

Het was allemaal tevergeefs, deze reeks vermaningen van oud-premier Romano Prodi en oud-partijleider Walter Veltroni. Zij waren de afgelopen twintig jaar de symbolen van succesvolle samenwerking tussen de verschillende stromingen op links. Maar hoewel de centrum-linkse Democratische Partij (PD) waarvan zij de peetvaders zijn, sinds 2013 een absolute meerderheid in de Kamer van Afgevaardigden heeft, is het tot een breuk gekomen. Dinsdag zou een groepje ex-PD’ers zich als een aparte fractie presenteren in het parlement. De populistische Vijfsterrenbeweging M5S, die bij peilingen ongeveer evenveel steun krijgt als de PD, is de breed lachende toeschouwer en ziet haar kansen bij verkiezingen, uiterlijk volgend jaar maar mogelijk nog dit najaar, stijgen.

De breuk komt na een aantal conflicten die eerder om persoonlijke ruzies en baantjes gingen dan om ideologische verschillen. Oudgedienden als Massimo D’Alema en Pier Luigi Bersani roepen dat de partij onder Matteo Renzi (42) te veel van haar ideologische veren heeft afgeschud – Renzi heeft bijvoorbeeld openlijk afstand genomen van de vakbonden en hij paste de arbeidswet aan. Maar op de achtergrond speelt de angst dat ze buitenspel komen te staan. Dat geldt zeker voor D’Alema, die ondanks zijn 67 jaar nog grenzeloos ambitieus is en nog steeds wrok koestert omdat hij in het kabinet-Renzi geen minister van Buitenlandse Zaken werd.

Renzi leed in december een gevoelige nederlaag bij een referendum over politieke hervormingen waar hij zijn lot aan verbond. Daardoor werd een nieuwe kieswet nodig. Het politieke bestel verandert daardoor van een meerderheidsbestel dat samenwerking tussen partijen stimuleert, naar een vorm van evenredige vertegenwoordiging, waarbij kleinere partijen meer kansen hebben.

Renzi moest als premier het veld ruimen; een vertrouweling volgde hem op. Hij is eerder deze maand ook afgetreden als partijleider. Dat was een uitdaging aan zijn interne critici: laten we koppen tellen en opnieuw een partijleider kiezen, wetend dat hij zelf daar de beste papieren voor heeft. Dat zal nu op 30 april gebeuren.

D’Alema en de zijnen kozen een andere weg. Naast de PD komt er een DP: Democraten en Progressieven. Veel linkse kiezers zijn woedend over het politieke gekonkel. Van de kemphanen heeft Renzi nog steeds veruit de meeste steun, ook omdat hij als premier een begin heeft gemaakt met hoognodige hervormingen. Maar zoals vaker in de Italiaanse geschiedenis was de weerstand in eigen kring zeker zo groot als die van politieke tegenstanders.