Opeens zijn de Spelen wazig voor turners Epke en Yuri

Olympisch traject Tokio 2020

Voor toestelspecialisten als Epke Zonderland, Yuri van Gelder en in mindere mate Sanne Wevers is de kans verkleind zich te plaatsen voor de Spelen van 2020.

Yuri van Gelder in actie tijdens het turngala van afgelopen november in Leek. Foto Vincent Jannink/ANP

De kans dat de turners Epke Zonderland en Yuri van Gelder kunnen meedoen aan de Olympische Spelen van 2020 in Tokio is, afgezien van hun leeftijd en carrièreplanning, knap wazig geworden. Dat is het gevolg van de verscherpte selectie-eisen van de wereldturnfederatie FIG, die in het voordeel zijn van teamkwalificatie en nadelig uitpakken voor toestelspecialisten.

De barrière geldt ook voor Sanne Wevers, de olympisch kampioene op balk, maar zij heeft het voordeel ook gespecialiseerd te zijn op brug, waardoor ze tevens van waarde kan zijn voor het team. Dat pluspunt missen Zonderland en Van Gelder, tenzij zij zich binnen vier jaar op meer toestellen richten.

Willen Zonderland en Van Gelder in 2020 naar de Olympische Spelen dan zijn er twee mogelijkheden: een medaille winnen op de WK van 2019 in Stuttgart of winnaar worden van een nieuw wereldbekerklassement van acht wedstrijden verspreid over 2018 en 2019.

Bijdragen aan teamresultaat

Op de WK van 2019 plaatsen de medaillewinnaars van elk toestel zich op naam voor de Spelen. Dat recht op deelname komt te vervallen als zijn of haar land zich als team kwalificeert. Dan dienen die specialisten in de ploeg te worden opgenomen. Alleen is die kans voor Zonderland en Van Gelder klein, omdat hun bijdrage op één toestel zeer waarschijnlijk niet bijdraagt aan een goed teamresultaat. Daarbij komt dat de turnbond na de successen in de landenwedstrijd op de Spelen in Rio voor ‘Tokio’ alle kaarten op plaatsing als ploeg wil zetten.

Voor Wevers lijken de consequenties minder verstrekkend, omdat zij naast balk ook gespecialiseerd is op brug en op twee toestellen van waarde kan zijn voor het team. Voordeel van de turnster is dat zij werken op vier toestellen en niet op zes, zoals bij de mannen het geval is. Wil Zonderland aan rek en Van Gelder aan ringen op de Spelen in Tokio uitkomen dan zijn zij verplicht zich te specialiseren in minstens nog twee toestellen. Dan nog is het de vraag of zij goed genoeg zijn om het team naar een hoog niveau te stuwen.

De alternatieve route via het wereldbekercircuit is niet alleen sportief onzeker, omdat alleen de winnaar zich plaatst, maar ook vanwege de bedenkingen van de turnbond daar veel geld in te investeren. De kosten in dat traject bedragen voor één turner al gauw zeventig tot tachtigduizend euro, rekende bondscoach Bram van Bokhoven voor. En hij voegde er aan toe dat geld liever aan verbetering van de teamprestatie te willen besteden. Bovendien zijn de deelnemers aan het wereldbekercircuit uitgesloten van deelname aan de WKs van 2018 en 2019. „Het kan toch niet de bedoeling zijn dat olympisch kampioenen als Wevers en Zonderland niet meedoen aan een WK”, verzucht technisch directeur Hans Gootjes.

Europese medestanders

De Nederlandse turnbond KNGU heeft protest aangetekend tegen de nieuwe selectie-eisen van de FIG, maar Gootjes kon dinsdag tijdens een persconferentie over het olympische traject niet goed beoordelen hoe kansrijk het verzet is. Hij hoopt tijdens de EK, half april in het Roemeense Cluj, Europese medestanders te kunnen mobiliseren. „De FIG wil toestelspecialisten meer kansen geen, maar door de uitwerking van de regels zijn hun kansen kleiner geworden”, zegt Gootjes.

De bondscoaches Bram van Bokhoven (mannen) en Gerben Wiersma (vrouwen) maken zich vooralsnog minder druk over de gewijzigde regelgeving, omdat zij na de goede teamresultaten in Rio de Janeiro voor Tokio zich volledig op kwalificatie als ploeg willen richten. Dat traject is overigens ook verzwaard doordat in Tokio het aantal turners en turnsters per team van vijf is gereduceerd tot vier. „We moeten allrounders hebben met medailleperspectief in zich”, zei Van Bokhoven.

Zijn collega Wiersma legt de lat nog hoger. Hij mikt bij de volgende Olympische Spelen op wat hij ‘triple 8’ noemt: top acht met zowel het team, op de individuele meerkamp als op een toestel.