Recensie

Schilder Glenn Brown maakt van de kunstgeschiedenis een kettingbrief

Tentoonstelling

Op zijn expositie ‘After Life’ in het Rembrandthuis verklaart de Britse schilder Glenn Brown de liefde aan Rembrandt.

Glenn Brown: Poor Art, in progress, oil on panel, 108.5 x 74 x 2.2 cm, artist’s own collection

Het is echt even schrikken bij de schilderijen van Glenn Brown in het Rembrandthuis. Het is een Rembrandteske tentoonstelling, zeker, maar de verschillen zijn fiks. Neem het kleurenpalet. Geïnspireerd door Kees van Dongen en Picasso, schenkt Brown aan Rembrandt postuum een blauwe periode. Knalblauw zelfs. Ook de verftoets lijkt modern geïnspireerd, met expressionistisch dikke klodders, maar die zijn glad en minutieus nageschilderd. Nepklodders dus. De formaten blies hij op en verder wil hij geen nadruk op de ogen, spiegels van de ziel, omdat hij liever heeft dat kijkers in zíjn ziel kijken, en naar hoe knap hij dit alles gemaakt heeft – chiaroscuro belichting, scherp naast soft focus, krullerige lijnen. Kortom, jolly and up dit alles, totdat je ziet waar deze kunsthistorische optelsom toe leidt: grote portretten met holle ogen en gesmolten neuzen in een groene drek waar rode stukjes in drijven. Sommige bezoekers in het Rembrandthuis verstijven op de drempel, draaien zich om, snel terug de oudbouw in. Pfoe, net op tijd.

Vlinderdas en snorretje

After Life heet deze expositie: ‘naar het leven’ en ‘ná het leven’, zoals de nog altijd invloedrijke Rembrandt hier postuum doorleeft. De tentoonstelling is een ode en anti-kunst tegelijk – want verhoud je als schilder nu maar eens tot al die groten van vroeger. Misschien helpt het te weten dat Glenn Brown een keurige Engelsman is, met vlinderdas en snorretje, die beleefd en bedeesd praat. Hij is een zogeheten YBA, een van de brutale Young British Artists die twintig jaar geleden tussen het bed-avontuur van Tracey Emin en het doorgezaagde vee van Damien Hirst exposeerde. „I like to be awkward”, zei hij tijdens de perspreview in het Rembrandthuis, en daarin is hij zeker geslaagd.

Liefde voor Rembrandt

Want het is een verwarrende tentoonstelling, maar zijn liefde voor Rembrandt lijkt echt. Al in 1996 schilderde Brown zijn eerste Rembrandtportretje, met een wat surrealistische verfhuid, die daarna steeds onwerkelijker zou worden. Tronies uit Rembrandts etsjes tekent hij over elkaar heen, als sombere schimmen, met dubbele neuzen of zonder ogen. Soms is het niet genoeg alleen de ogen weg te laten en haalt Brown het hele hoofd eraf. Zodat we ons kunnen concentreren op de lichamen, die hij mengt met referenties naar Yoko Ono, stigmata, bloed, zelfmedelijden en zelfs zijn eigen moeder.

Ondanks alle veelvormigheid delen ze één gevoel: ze zijn alleen. Brown portretteert solistische figuren in de eenzaamheid waarmee Francis Bacon oude pausen schilderde, die daar schreeuwend en wel ook al niet van gediend lijken. Bij Brown lijkt het of Rembrandt Camus heeft gelezen. Dat gevoel krijg je bij de portretten en zelfs bij de bomen in de tentoonstelling: getekend in prachtig stormachtige lijnen, te existentialistisch eenzaam om ooit een gezellig bos te vormen.

Clown

Brown is duidelijk een liefhebber van de kunstgeschiedenis. Behalve naar Rembrandt zelf verwijst hij namelijk ook naar anderen die hem aanhaalden, zoals Fragonard en Delacroix. Zo maakt hij van de kunstgeschiedenis een kettingbrief, en van deze hommage een eerbetoon aan diens kopiisten – meer nog soms dan Brown bedoeld had. Toen hij speciaal voor het Rembrandthuis een zelfportretje van Rembrandt naschilderde als clown, hoorde hij van de curator dat, ahem, dit origineel inmiddels aan Flinck was toegeschreven. Awkward – tot Browns genoegen. Al die revolutionair doende kunstenaars die (zoals hijzelf) in de jaren negentig zo rebels deden met hun ‘appropriation art’, ofwel herinterpretaties? Ach. Ouwe koek. Flinck deed dat vier eeuwen geleden al.