Recensie

Richter tovert verf om in geld

In het Ludwig Museum in Keulen toont Gerhard Richter 26 nieuwe schilderijen. Ze zijn mooi, abstract en vast heel duur.

Gerhard Richter, Abstraktes Bild (947-8), 2016Olieverf op paneel, 50 x 60 cm. foto’s Museum Ludwig

Kijk, daar hangen ze, in een lange, brede gang van het Museum Ludwig in Keulen: 26 nieuwe schilderijen van Gerhard Richter. De 84-jarige Richter maakte ze in de afgelopen twaalf maanden. Ze zijn abstract en in formaat variëren ze van vrij klein (27×35,5 cm) tot behoorlijk fors (200×250 cm). Het zijn allemaal typische laat-abstracte Richters: die maakt hij door eerst verf op een doek of een paneel aan te brengen en die verf vervolgens met een spatel of een trekzeem uit te smeren, zodat er een complex stelsel van lagen en kleuren ontstaat.

Dat klinkt overzichtelijk, maar Richter beheerst de techniek zo goed dat de doeken vaak opvallend rijk, gelaagd en verleidelijk zijn – alsof de wereld een toverbal is en Richter ons toeschouwers als een geoloog door de aardlagen gidst. En oh ja, dan is er nog iets: geen van de 26 doeken is al verkocht – nergens op de titelbordjes is een galerie of een andere belanghebbende dan Richter zelf te bekennen. Dat heeft een opmerkelijk gevolg. Ineens zie ik, in die gang, tussen de kleuren en de strepen en de bordjes en de bankjes en de rijkelijk toegestroomde toeschouwers, een enorme onzichtbare olifant staan die lekker met zijn kont tegen de schilderijen staat aan te wrijven.

Het alsof de wereld een toverbal is en Richter ons toeschouwers als een geoloog door de aardlagen gidst

Geld, staat er op die olifant geschreven. Heel veel geld.

Om een misverstand te voorkomen: op de schilderijen zelf is niks aan te merken. Die zijn goed, soms zelfs heel goed, ook gezien binnen Richters oeuvre. Maar om dat tot me door te laten dringen, moest ik wel een truc uithalen: bij het bekijken van elk van de schilderijen bande ik eerst de andere werken uit mijn blikveld om me vervolgens voor te stellen hoe het doek er in mijn eigen huiskamer uit zou zien. Het effect was verrassend, overweldigend zelfs: bij de grote meerderheid van de doeken, hoe klein ook, besefte ik dat ze de ruimte volledig zouden overnemen.

Dat kwam ongetwijfeld door de overdaad aan kleuren en vormen, maar meer nog doordat Richter, ondanks de geur van willekeur, er op bijna al deze doeken in slaagt de indruk te wekken dat er een idee achter zit, een patroon, een vorm van harmonie die je als toeschouwer naar boven kunt halen door het doek heel lang op je in te laten werken. Alsof Richter je ergens vanuit een onnaspeurbare diepte de waarheid en de schoonheid aanreikt, en je ze zelf naar boven mag halen.

God in de kunstwereld

Alleen, dat daarvoor zo’n truc nodig is, is natuurlijk veelzeggend. En er speelt meer: Richters abstracte schilderijen ontlenen hun betekenis niet alleen aan hun suggestieve kracht, maar ook aan het feit dat Richter op dit moment zo’n beetje God in de kunstwereld is. En dat hij de afgelopen jaren al honderden van dit soort doeken maakte. Dat geeft óók een beetje een lopende-band-idee, het gevoel dat Richter een vondst uitmelkt. En dat wordt nog versterkt doordat hij niet nalaat te benadrukken hoe belangrijk toeval is bij het maken van deze werken: door het gebruik van de spatel geeft hij een deel van de controle uit handen. God Richter dobbelt dus wel degelijk.

Daar is allemaal niks op tegen, ware het niet dat dit spel met toeval en willekeur in schril contrast staat met een andere werkelijkheid die deze werken óók vertegenwoordigen: die van het geld. De prijzen van Richters nieuwe doeken zijn weliswaar niet makkelijk te achterhalen, maar wie beseft dat zijn oudere abstracte werk op veilingen regelmatig de grens van de 10 miljoen euro (per doek) passeert en dat zelfs een heel klein doekje van matige kwaliteit bij openbare verkoop nog zo’n anderhalve ton opbrengt, moet wel heel naïef zijn om niet te beseffen dat 26 nieuwe eigenaarloze Richter-doeken voor wel meer staan dan kleur en abstractie en verleiding.

Hier, in die Keulse museumgang hangt zeker voor 10 miljoen nieuwwaarde bij elkaar – en dat is vast een lage schatting, want Richter is, mede door zijn status, enorm populair bij speculanten. Dat leidde de afgelopen jaren sowieso al tot een merkwaardig, zeg maar gerust uniek economisch mechanisme: hoe meer werken Richter uitbrengt, en hoe meer ze op elkaar lijken, hoe hoger zijn prijzen lijken te stijgen. Richter tart niet alleen de wetten van de kunst, maar ook die van de economie.

Olifant in de zaal

Daar staat ie dan, die olifant. Ik was niet bij de opening, weet ook niet hoe het staat met het eigendom, maar de eerste vertoning moet een curieuze gebeurtenis zijn geweest. Aan de muur de nieuwe Richters, van onmiskenbaar hoog niveau en daaromheen een zoemende mengeling van kunstkenners, celebrity-spotters, verzamelaars die smachten naar een ‘eigen’ Richter en, niet te vergeten, de vertegenwoordigers van Museum Ludwig die ongetwijfeld hoopten op een genereuze geste van de oude meester. Maar die durfden daar ongetwijfeld niks over te zeggen want geld, economische waarde en zelfs de betekenis daarvan zijn een taboe in het deel van de kunstwereld dat zichzelf ziet als ‘inhoudelijk gedreven’ – in de teksten en voorbeschouwingen van het museum komt het woord ‘geld’ dan ook niet één keer voor.

Dat is het fascinerende aan deze tentoonstelling: ook de inhoudelijke hoek kan geld niet langer negeren, daarvoor is waarde te veel een onderdeel van de inhoud geworden. Neem alleen Richters eigen drijfveren al: vervaardigt hij die abstracte schilderijen (tot nu toe zo’n drieduizend in zijn carrière) nu alleen omdat hij zo gefascineerd is door illusie, de werking van verf en het toeval – of speelt geld ook wel degelijk een rol? En is het, daartegenover, niet geweldig dat een kunstenaar óók zo’n grote macht vertegenwoordigt?

Ga maar na: er zijn weinig onderdelen van de economie waar de toegevoegde waarde zo groot kan zijn: je neemt voor, zeg, duizend euro verf en doek, geeft het aan Gerhard Richter en de waarde wordt vervijfhonderdvoudigd. Daar kun je afstandelijk over doen, cynisch, je kunt ‘kleren van de keizer’ mompelen, maar je kunt dit mechanisme evengoed beschouwen als een belangrijke kracht van kunst, die voor een belangrijk deel ontstaat doordat Richter écht een geweldige kunstenaar is die kan toveren met verf. Dat die vaardigheid óók een economische waarde vertegenwoordigt, daar zou de museumwereld zich best eens wat meer bewust van mogen zijn, eigenwaarde aan mogen ontlenen. Juist in deze tijd. Kunst is kracht, en Richter bevestigt die stelling als geen ander.