Het politieke landschap sinds 1946 in tien gifjes

Veel verandert ons stemgedrag niet, blijkt als je alle uitkomsten van de Tweede Kamerverkiezingen sinds 1946 achter elkaar zet.

Hoe veranderlijk verkiezingsuitslagen ook zijn, eigenlijk verandert er nooit zo veel. Dat blijkt als je alle uitkomsten van Tweede Kamerverkiezingen sinds 1946 achter elkaar zet. Sterk christelijke regio’s zullen altijd sterk christelijk stemmen. En in rijke gebieden krijgt de VVD altijd veel stemmen.

Hoe komt het dan dat de Tweede Kamer na verkiezingen toch fors van samenstelling verandert? Zeker de laatste vijftien jaar lijkt het of verkiezingsdag een waterscheiding is, met grote verliezers en grote winnaars. En alles ertussenin.

De kiezer is niet op drift. Hij is niet losgeraakt van zijn wortels om bij elke verkiezing opnieuw een onvoorspelbare keuze te maken. Dat wil niet zeggen dat de kiezer hondstrouw is en altijd weer dezelfde keuze maakt. Iemand die teleurgesteld is in de partij waarop hij gestemd heeft, zal de volgende keer een andere kiezen.

Maar die keuze komt niet geheel uit de lucht vallen. De kans dat een SGP’er ooit op D66 zal stemmen, is nihil. En een SP-aanhanger zal niet snel de overstap maken naar de VVD. Niet dat het nooit zal gebeuren, maar de kans is klein.

Mensen kiezen liefst een alternatief dat enigszins in de buurt ligt. Een teleurgestelde VVD’er ziet CDA en D66 als nabije opties. Een PvdA’er kijkt bijvoorbeeld naar de SP, maar ook GroenLinks, CDA en PVV zijn mogelijkheden.

Als een partij flink verliest bij verkiezingen, is dat natuurlijk te zien op een kaart die de uitslag weergeeft. Maar bolwerken blijven bolwerken. Stel dat een partij 35 procent van de stemmen krijgt in de gemeente waar zij het beste scoorde, dan zou dat vier jaar later best slechts 25 procent kunnen zijn. Maar ook in dat jaar gaat het dan waarschijnlijk nog steeds om de gemeente waar de partij de beste uitslag had – of in elk geval een heel goede. Kortom: het zijn altijd dezelfde plekken waar een bepaalde partij goed scoort. Alleen is die score het ene jaar hoger dan het andere.

Hoe is het politieke landschap sinds 1946 veranderd? Of juist hetzelfde gebleven? In tien filmpjes wordt driekwart eeuw stemgedrag zichtbaar gemaakt.

VVD: een onverwacht bolwerk

Drenthe is een van de oudste bolwerken van de VVD. In 1946 wordt er in zes van de twaalf gemeenten (volgens de indeling van 2012) bijna even vaak op de liberalen gestemd als in Wassenaar.

Tegenwoordig valt het niet meer zo op dat veel Drenten VVD stemmen. Dat komt vooral doordat in de rijkere Randstedelijke gemeenten de VVD nu beter scoort dan in Drenthe.

Ook opmerkelijk: tot in de jaren zestig is de VVD in het katholieke zuiden simpelweg niet aanwezig. Daarna komt de doorbraak, het eerst zichtbaar in gemeenten rondom Eindhoven. In de provincies Friesland en Groningen trekt de partij altijd weinig kiezers – op villadorp Haren na, het Wassenaar van Groningen.

De VVD is in 1948 gevormd uit de Partij van de Vrijheid, een voortzetting van de Liberale Staatspartij.

PvdA: de Betuwe verloren

Net als de VVD krijgt ook de PvdA tot in de jaren zestig weinig stemmen in Noord-Brabant en Limburg. Maar de grote steden daar zijn een uitzondering: in Breda, Eindhoven en Maastricht hebben de sociaal-democraten ook al in 1946 een aardige aanhang. En in de Limburgse mijnstreek.

Ook opvallend is dat in Amsterdam tot in de jaren tachtig minder op de PvdA gestemd wordt dan in Rotterdam. Terwijl de hoofdstad toch sterk wordt geassocieerd met die partij.

In de loop der jaren is de partij een bolwerkje in de Betuwe (de gemeente Buren) kwijtgeraakt. Een belangrijk bolwerk, de noordelijke provincies, is nog altijd in handen van de PvdA. Maar bij de provinciale verkiezingen van 2015 kreeg de partij het ook daar moeilijk.

PVV: een van de nieuwkomers

De partij van Geert Wilders heeft pas drie keer meegedaan aan Tweede Kamerverkiezingen. Dat zijn te weinig jaren voor een filmpje. Daarom zijn hier meerdere partijen bij elkaar opgeteld. Dat zijn alle partijen die ooit in de Kamer zijn gekomen, maar nu geen zetels meer hebben – of simpelweg niet meer bestaan – én de kleine partijen die nooit een zetel haalden. Voorbeelden van verdwenen partijen zijn de LPF, de Boerenpartij, de Centrum Democraten en het Algemeen Ouderen Verbond.

Enkele jaren vallen op:

  • 1952: de Katholieke Nationale Partij trekt stemmen in het zuiden en rondom Haarlem.
  • 1963 en ’67: de Boerenpartij is populair buiten de Randstad.
  • 1971: DS’70, opgericht door ontevreden PvdA’ers, heeft landelijk aanhang.
  • 1994: de Centrum Democraten van Hans Janmaat krijgen drie zetels.
  • 2002 en 2003: de Lijst Pim Fortuyn is heel sterk in het Rijnmond-gebied.
  • 2006, 2010 en 2012: de PVV is sterk in Limburg, de Rijnmond en West-Brabant.

SP: explosie in 2006

De SP doet in 1977 voor het eerst aan de Tweede Kamerverkiezingen mee, maar krijgt pas in 1994 twee zetels. Aanvankelijk zit de aanhang vooral in Oost-Brabant, de regio waar oprichter Jan Marijnissen vandaan komt. De aanhang is heel langzaam uitgebreid. In 1994 krijgt de partij ook voet aan de grond in de mijnstreek en de Rijnmond, de regio van Remi Poppe, die samen met Marijnissen de tweekoppige fractie vormt.

Daarna gaat de groei gestaag door, tot die in 2006 explodeert. Dat jaar wint de SP het ongekende aantal van 25 zetels en krijgt zij voet aan de grond in een groot deel van Nederland. In Oost-Groningen bijvoorbeeld neemt zij de plaats in van de communisten, die in die streek van oudsher sterk waren.

Bij de twee Kamerverkiezingen verkiezingsjaren daarna – de partij wint beide keren 15 zetels – blijkt Oost-Brabant andermaal het sterkste bastion.

CDA: eind aan hegemonie

Het CDA is in de jaren zeventig gevormd uit twee protestantse partijen (ARP en CHU) en de rooms-katholieke KVP. Tot in de jaren zestig stemt in katholieke gemeenten meer dan 80 procent van de kiezers op de KVP. In 1963 krijgt de KVP bijvoorbeeld vijftig zetels. CHU en ARP hebben er dan beide dertien. Maar met de ontkerkelijking die dat decennium intreedt, komt ook een eind aan die hegemonie.

Dat valt vooral op in het zuiden. Immers: daar had de KVP voordien een monopolie. Terwijl elders protestanten drie christelijke alternatieven hadden (SGP, GPV en later ook de RPF) en een groot deel van de bevolking niet-confessioneel stemde (PvdA, VVD). Die laatste twee keuzes liggen ineens open in het zuiden.

Toch is de echte achteruitgang van het CDA pas in 1994 ingetreden, het jaar dat de populaire Ruud Lubbers afscheid neemt van de politiek. Een kortstondige opleving in 2002 heeft niet kunnen voorkomen dat de christen-democraten geen schim meer zijn van wat zij ooit waren.

D66: ooit een groeikernenpartij

D66 komt meteen na oprichting in de Tweede Kamer: zeven zetels bij de verkiezingen van 1967. De liberalen spreken ook dan al met name stadsbewoners aan, maar op een andere manier dan bijvoorbeeld de PvdA. D66 richt zich vooral op hoogopgeleiden. Juist in studentensteden krijgt zij veel stemmen: Leiden, Delft, Wageningen, Enschede, Eindhoven.

Opmerkelijk in 1967 is dat D66 ook in een (dan) nieuwe satellietstad als Spijkenisse goed scoort. In latere jaren is de partij ook populair in vergelijkbare zogenoemde groeikernen als Zoetermeer, Lelystad en Purmerend. Tegenwoordig zijn dit juist bolwerken van de PVV.

Ook in de rijkere delen van het land heeft D66 altijd relatief veel stemmen gekregen, zoals Het Gooi en de Utrechtse Heuvelrug. En buiten de Randstad: Rozendaal en Berg en Dal.

ChristenUnie en SGP: altijd stabiel

De meest stabiele aanhang is die van de kleine protestants-christelijke partijen. Ooit waren het er drie: SGP, GPV en RPF, maar die laatste twee zijn gefuseerd tot ChristenUnie.

Hun kiezers wonen in de zogeheten Biblebelt, een strook gemeenten die loopt van Zeeland via Zuid-Holland en de Veluwe tot het noorden van Overijssel. Daarnaast zijn er ‘uitlopers’ in Zuid-Holland (Katwijk en Lisse) en Overijssel (Salland).

Eigenlijk is er voor de kleine protestantse partijen maar één keer iets echt opmerkelijks gebeurd. Dat was in 1952, toen het Gereformeerd Politiek Verbond voor het eerst veel stemmen kreeg – maar overigens nog geen Kamerzetel. Veel aanhangers van die partij wonen in Groningen en Friesland.

GroenLinks: geen arbeiders meer

GroenLinks bestaat pas sinds 1990, doordat vier partijen tot fusie besloten: CPN (communisten), PSP (pacifistisch-socialisten), PPR (een links-libertaire afsplitsing van de katholieke KVP) en EVP (progressieve christenen afkomstig van de ARP).

Juist door deze geschiedenis, en de behoorlijk verschillende achtergronden van de fusiepartners, is hun opgetelde aanhang in de loop der jaren fors veranderd. Tegenwoordig is het electoraat enigszins vergelijkbaar met dat van D66: grotere steden met veel studenten. Je zou gekscherend kunnen zeggen dat GroenLinksers de minder verdienende buren van D66’ers zijn.

Dat was vroeger wel anders. Tot 1959 bestaat alleen de communistische CPN. Haar aanhang is te vinden in de arbeidersklasse in diverse streken: Amsterdam en de Zaanstreek bijvoorbeeld, Deventer, Enschede en de mijnstreek. Ook in de nog maar pas ontgonnen Noordoostpolder wonen veel communisten, net als in de Wieringermeer. En niet te vergeten Oost-Groningen en Opsterland (oostelijk Friesland).
In 1972 komt een doorbraak in het katholieke zuiden. De PPR krijgt zeven zetels, mede dankzij stemmen uit die regio. Sindsdien is de GroenLinks langzaam verdwenen uit de communistische en roomse streken.

Opkomst: herleving interesse

Tot 1970 kent Nederland een opkomstplicht: niet komen opdagen in het stembureau is strafbaar. Tot en met de Tweede Kamerverkiezingen van 1967 geeft altijd zo’n 95 procent van de kiezers gehoor aan die plicht. Maar in 1971 komt nog maar 79 procent op. In alle jaren daarna is de opkomst nooit lager geweest dan 73,2 procent. Dat is in 1998. Vier jaar later, als Pim Fortuyn de interesse in politiek doet herleven, neemt de opkomst weer toe tot bijna 79 procent – en 80 procent in 2003 en 2006. Daarna zet weer een daling in tot rond de 75 procent.

Regionaal gezien blijkt de opkomst altijd lager te zijn in de grote steden en het katholieke zuiden – vooral West-Brabant. In Biblebelt-gemeenten is de opkomst juist hoog. Maar het hoogst – tot ver boven de 100 procent – is de opkomst in gebieden met veel toeristen, zoals de Waddeneilanden. Veel kiezers die met vakantie zijn, brengen daar hun stem uit. Het aantal uitgebrachte stemmen is dan hoger dan het aantal stemgerechtigden dat er woont.

Blanco en ongeldige stemmen: een vorm van protest

Wie tegenwoordig geen interesse in politiek heeft – of teleurgesteld is – kan ervoor kiezen niet te komen opdagen. Toen de opkomstplicht nog gold, kozen veel teleurgestelden ervoor een ongeldige of blanco stem uit te brengen. Opmerkelijk is, dat een kaart van ongeldige stemmen uit de jaren zestig lijkt op een kaart van de PVV-aanhang nu: de Rijnmond, West-Brabant en Limburg (vooral oostelijk van de Maas) zijn plekken die eruit springen. Net als Oost-Drenthe en Oost-Groningen.

Na 1971 sterft deze vorm van protest bijna uit. In het laatste verkiezingsjaar, 2012, leek het fenomeen weer iets te groeien.

Het grote aantal blanco en ongeldige stemmen in enkele gemeenten in 1994 berust waarschijnlijk op telfouten.