De schatkist loopt over bij een lange formatie

Begrotingsoverschot

Minister Dijsselbloem zag het aankomen, maar zelfs hij was verrast door de snelheid waarmee al in 2016 een overschot werd bereikt.

Foto Robert Vos/ANP

Een groter bewijs dat de huidige verkiezingscampagne over van alles lijkt te gaan, behalve over de economie, is er nauwelijks: vorige week donderdag stuurde minister Jeroen Dijsselbloem van Financiën (PvdA) een opmerkelijke brief naar de Tweede Kamer. Daarin staat dat 2016 zal worden afgesloten met een begrotingsoverschot van 200 miljoen euro.

Na een kort moment van ophef verdween de brief in de vergetelheid. Politieke partijen rekenden al op een overschot in 2017. De begrotingsbalans hielp hen, vrijwel zonder uitzondering, bij de fraaie uitkomsten van de doorrekening van hun plannen door het Centraal Planbureau (CPB). Er kan plotseling veel.

Een overschot? Gaap!

Het overschot van 2016 werd zo met een onderdrukte geeuw ter kennisgeving aangenomen. Toch is het uitzonderlijk. Op Prinsjesdag, in september vorig jaar, rekende het kabinet nog met een begrotingstekort van 1,1 procent van het bruto binnenlands product (bbp) voor 2016. Uit de Najaarsnota van 25 november bleek dat verwachte tekort opeens beduidend lager: nog maar 0,4 procent van het bbp. En amper zes weken later werd het jaar afgesloten met een begrotingsevenwicht.

Dat ging snel. Enorm snel. Over heel 2015 bedroeg het tekort nog 1,9 procent en een jaar later was het weg. Met die versnelling dus in de tweede helft van het jaar. Het kwam (zie ook de grafiek) sinds de invoering van de euro niet voor dat een verbetering zo hard ging.

Dijsselbloem was er zelf ook enigszins door verrast, al zegt hij dat zijn departement het vóór Prinsjesdag in grote lijnen wel zag aankomen. ,,De cijfers die wij op Prinsjesdag laten zien zijn grotendeels op basis van het CPB,” zei hij zondag bij Operatie Interview in het Amsterdamse debatcentrum De Balie. „Het CPB neigt er altijd toe om als het slecht gaat, als we in een crisis zitten, te positief te zijn en de gevolgen te voorzichtig in te schatten.”

Dat gebeurt volgens hem ook als de economie uit een crisis komt. Dijsselbloem steekt de hand ook in eigen boezem. „Nou doen wij [bij Financiën, red.] ook onze eigen ramingen en dat verwijt treft ons ook. Wij waren wel wat positiever dan het CPB. En het gaat ook weer sneller dan wij hadden verwacht. Vooral de belastinginkomsten zijn veel groter.”

Bij dat laatste gaat het met name om de inkomstenbelasting. En dat heeft weer te maken met de aantrekkende arbeidsmarkt. Want daar gaat het óók razendsnel.

De werkloosheid daalde vorig jaar gemiddeld met 0,9 procentpunt ten opzichte van een jaar geleden. Maar in de loop van het jaar ging die daling steeds sneller. In oktober was de werkloosheid1,3 procentpunt lager dan een jaar daarvoor. In januari 2017 was dat nog steeds 1,2 procentpunt.

Zulke dalingen zijn uitzonderlijk. Ze kwamen op maandbasis niet voor sinds 2002, en op jaarbasis is alleen 1998 beter. En dát was middenin de uitzonderlijke periode van de wereldwijde dot.com-zeepbel.

De strandbal van 2016

Dijsselbloem herinnerde er zondag aan dat dit het vierde jaar is van economisch herstel. „Dat herstel is veel eerder ingetreden dan veel mensen denken. Wij waren nog bezig om de lelijkste, grootste maatregelen in te voeren in 2013 en 2014. Maar toen was het economisch herstel al ingezet”, zei hij. „Dus wordt het ook wel tijd dat die begroting op orde komt. Want hoe lang houden wij die groei nog? Het is niet gezegd dat we nog vier zulke jaren hebben.”

De minister vindt in die afgelopen vier jaar de verklaring waarom het nu zo hard gaat. Het is alsof een strandbal lange tijd onder water is gehouden en nu omhoog plopt. „Het grote bedrijfsleven heeft de crisis eigenlijk heel goed doorstaan. Het stelde investeringen uit en heeft afgewacht. Die investeringen doen ze nu alsnog, en dan zie je dat het opeens heel snel gaat.” Misschien is dat de verklaring, zegt hij. „Maar nogmaals: het is niet zo dat we vorig jaar nog in de crisis zaten en nu opeens een overschot hebben. Het is heel geleidelijk, in vier jaar tijd, gegaan.”

Stimulans tegen wil en dank

En dan is er natuurlijk nog de Europese achtergrond. De Europese Centrale Bank voert negatieve rentes voor de geldmarkt, en koopt nu al twee jaar lang staatsleningen in om ook de langlopende rentes laag te houden. Dat is een beleid dat misschien bij de eurozone als geheel past, maar eigenlijk al lang niet meer bij Nederland. Dat krijgt nu een ongekende monetaire stimulering tegen wil en dank. De gevolgen worden al zichtbaar op de woningmarkt, waar in de grote steden de prijzen uit de pan rijzen.

Nu vindt de ECB dat het beleid nooit bij alle eurolanden tegelijk kan passen, en dat landen eigen maatregelen moeten nemen. Dat zou in Nederland pleiten voor een zeer terughoudend begrotingsbeleid. Want extra bestedingen kunnen zorgen voor oververhitting.

Komt dat terughoudende beleid er van? Misschien wel. Na de verkiezingen van over twee weken vindt de formatie plaats van een nieuw kabinet. Zoals het er nu naar uitziet kan dat best een langdurige geschiedenis worden. Het demissionaire kabinet-Rutte II zal zich in die periode traditioneel onthouden van grote beleidsmaatregelen. En dat betekent dat, met de vaart die economie en belastinginkomsten nu hebben, het begrotingsoverschot in de tussentijd ver kan oplopen. Hoe ver? Het record is van het jaar 2000. Geheel toevallig: 1,9 procent.