Als de mentor erbij is, vindt Destiny de rekenles toch niet saai

Onderwijs

Drie Rotterdamse scholen testen een stelsel met mentoren. Die moeten goedkoop hulp bieden aan achterstandsleerlingen.

Foto Rien Zilvold

Het is doodstil in het lokaal van de Beatrixschool in Rotterdam-Zuid. Aan zes tafels zitten telkens een mentor en twee of drie leerlingen van groep zeven. Ze zijn zo druk bezig dat ze de verslaggever en de fotograaf nauwelijks opmerken. Geconcentreerd bewerken ze met een stift reeksen cijfers op een afveegbaar schrijfbordje. Het lijkt een spelletje. Maar het is rekenles – en toch niet saai.

‘600:12’. Destiny schrijft de som uit haar werkboek op het bordje. Dat wordt vereenvoudigd tot ‘60:12’ en bij de uitkomst 5 wordt de 0 er weer bij gezet: 50 dus. Mentor Nadia El Gharnati, afgestudeerd in de orthopedagogiek, geeft haar een high five. „Goed zo.”

Leerlingen van drie Rotterdamse scholen krijgen op deze wijze vier dagen in de week één uur per dag rekenles – de zogenoemde high dosage tutoring. De methode voor scholen in achterstandswijken is ontwikkeld en wetenschappelijk getoetst in de VS. De introductie en het onderzoek in Nederland worden betaald door Nederlandse liefdadigheidsfondsen.

In twee jaar moet worden vastgesteld of het mentoraat de prestaties van de leerlingen in Rotterdam vooruithelpt. Het systeem is ontwikkeld op scholen in New York, Boston en Chicago. Met zwaar bewapende jeugdbendes zijn dat gevaarlijker omgevingen dan de groene achterstandswijk Pendrecht.

Bowen Paulle, een uit de VS afkomstige onderwijssocioloog aan de Universiteit van Amsterdam, heeft ervaring met zowel Amerikaanse als Nederlandse achterstandswijken. Hij denkt dat ook in Nederland leerlingen door moeilijke omstandigheden thuis al gauw twee tot drie jaar achterstand oplopen. Met controlegroepen zonder high dosage tutoring wil hij onderzoeken of de methode in Nederland even goed werkt als in de Verenigde Staten.

Concentratie loont

Leerlingen zijn tijdens de mentorlessen geconcentreerder dan in een gewone klas. Volgens een kort onderzoek van een studente onderwijskunde zijn scholieren doorgaans 30 tot 50 procent van hun tijd bezig met hun taak. Bij het mentoraat loopt dat op naar 80 tot 90 procent. Die concentratie loont: leerlingen die gewend zijn op school of thuis tekort te schieten, worden plotseling geprezen voor goede uitkomsten van de som.

‘Boefjes’ die meedoen aan de mentorlessen, merken leerkrachten, gedragen zich beter. En door het directe contact kan de mentor de juf bijpraten over wat hem is opgevallen aan een leerling. Ze vragen hoe het gaat. „Ben je op tijd naar bed gegaan?”, vraagt een mentor aan een jongen. „Nee”, is het antwoord.

Ook is er veel contact met ouders, die thuis worden bezocht. Coördinator Wendy Koopmans: „Het valt op hoe arm ze soms zijn. Bij sommige gezinnen slapen de kinderen op matrasjes in de zitkamer.”

Terwijl in de Verenigde Staten alleen zwakke leerlingen extra rekenles kregen, zijn de Nederlandse mentorgroepen van gemengde, willekeurige samenstelling. Er zit in Pendrecht bijvoorbeeld ook een hoogbegaafd jongetje bij. Schoolbesturen wilden geen ‘kreukelklasjes’ waar leerlingen zich voor zouden kunnen schamen. Nu zijn de scholieren er trots op. En degenen die niet in een mentorklas zitten, hebben het voordeel van een kleinere klas.

In plaats van een mentoraat zouden scholen ook klassen kunnen verkleinen om achterstandsleerlingen beter te helpen. Maar daarvoor zijn bevoegde leraren nodig, en die zijn schaars.

De mentoren in dit experiment zijn geen professionele leraren, en ze verdienen slechts het minimumloon – een krappe 20.000 euro per jaar. Het gaat om afgestudeerden aan de pabo, sociale wetenschappers, psychologen en orthopedagogen die zich willen oriënteren in het onderwijs.

Zo overweegt socioloog Anne Kielman, die een jaartje mentor is, onderzoek te combineren met onderwijs. Socioloog Ferhat Akyüz gaat kijken of hij rekendocent kan worden op een middelbare school. Orthopedagoog El Gharnati wil betrokken blijven bij begeleiding van leerlingen, bijvoorbeeld bij huiswerk en bijles. En pabo-afgestudeerde Neslihan Cimtay wil onderwijzer worden.

Financiers aanmoedigen

Het project in Rotterdam loopt dit schooljaar af. Onderzoeker Paulle hoopt op goede resultaten. Die kunnen financiers aanmoedigen ermee door te gaan. Want een team mentoren en begeleiders kost tienduizenden euro’s per school. En zonder extra geld valt zulke intensieve begeleiding lastig te handhaven. Dus moet wel duidelijk zijn dat dit een goede methode is om achterstandskinderen te helpen.

Paulle onderstreept het nut achterstanden te bestrijden: „Het is hier niet als in de South Bronx of Baltimore, maar er zijn wel tekenen voor een groeiende maatschappelijke kloof.”