Column

Van kut naar superkut

Het woord ‘reet’ lijkt aan een indrukwekkende opmars bezig. Ja, het wordt al sinds mensenheugenis gebruikt, maar het was toch vooral een woord uit de volkstaal, althans, als er het achterste deel van de mens mee werd bedoeld.

Het is niet meer uitzonderlijk als iemand in het openbaar zegt of schrijft: „Het kan me geen reet schelen.” Je wordt eerder vreemd aangekeken als je zou zeggen: „Het kan me geen zier schelen.” Minder ouderwets, maar toch ook niet meer helemaal van deze tijd: „Het kan me geen zak schelen.” Je kunt nog wel gewoon zeggen: „Het kan me niets schelen”, maar dat wordt over het algemeen als onvoldoende krachtig beschouwd.

Wie graag zelfbewustheid uitstraalt en tegelijk de indruk wil wekken dat hij ook nog een beetje van de straat is, geeft de voorkeur aan de reet. Je hoort en leest het bijvoorbeeld bij steeds meer columnisten, cabaretiers en tv-presentatoren, al moet ik eraan toevoegen dat het eerder bij Voetbal Inside (Van der Gijp, Derksen) voorkomt dan bij Studio Voetbal (Tom Egbers, Co Adriaanse), eerder bij Hans Teeuwen dan bij Paul van Vliet.

Reet wordt steeds vaker ‘rete’ in combinatie met een ander woord, vooral ‘goed’. Het is niet nieuw: al in 1974 werd ‘retegoed’ gesignaleerd, later kwamen er combinaties met onder meer ‘strak’ en ‘gaaf’. Zo’n woord stijgt steeds hoger in het aanvaarde spraakgebruik, zodat we onlangs ook NS-topman Roger van Boxtel in een NRC-interview op de volgende zin mochten betrappen: „Dat traject tussen Amsterdam en Breda is rete-ingewikkeld, met veel technische complicaties.”

Ongeveer tegelijk met de reet is ook de kut aan een nieuw leven begonnen. Wie zegt er nog: „Ik had een rotdag”? Dat noem je nu een kutdag – als het maar iets negatiefs is, dat staat voorop. Kut is niks, kut is waardeloos, kut is gewoon reteslecht. Vreemd eigenlijk, want we hebben toch ook heel wat te danken aan de kut.

Het ‘kut’ van nu is het ‘klote’ van vroeger. ‘Klote’ is uit de verbale mode, het heeft lang vóór in de vooral mannelijke mond gelegen, maar het is versleten geraakt en moest plaatsmaken voor een andere genitale aanduiding. Vrouwen hoorde je vroeger ook weleens ‘klote’ zeggen, maar dat werd niet als erg ladylike ervaren. Dit in tegenstelling tot ‘kut’, dat door vrouwen, merkwaardig genoeg, even gemakkelijk wordt gebruikt als door mannen. De overtreffende trap is ‘superkut’, en die heb ik tot nu toe zelfs alleen maar van vrouwen gehoord.

Uit het gebruik van superkut blijkt dat we behoefte hebben aan steeds krachtiger termen. Neem de lul. Wie hoort er nog van de lul? Vroeger was de lul overal goed voor. Je stond voor lul of je zette iemand voor lul, vooral als hij lulkoek uitsloeg of zich als een lulletje rozenwater gedroeg. Maar inmiddels is de lul de lul geworden, een machteloos aanhangsel in de taal.

Waar is het einde, vraag ik me soms angstig af. Op een bepaald moment moeten alle geslachtsdelen en geheime openingen in onze omgangstaal opgebruikt raken – en dan?

Het zal nog wel even duren, die vergroving van de taal, maar als koning Willem-Alexander ooit zijn troonrede begint met de zin: „U moet weten: dit is voor mij per definitie een kutdag”, dan zullen we beseffen dat we een andere weg moeten inslaan.