J.S. Bach

Niet alleen troost, ook vreugde

Bachs cantates zijn kleine opera’s met Parsifal-achtige allures, lijkt recensent Joost Galema te denken (23/2). Bij de cantate ‘Ich habe genug’ moet je de gelovige Simeon op het toneel aantreffen, die „stokoud en de wanhoop nabij” een oude belofte afwacht, en de dood verwelkomt als een vriend als hij „uiteindelijk Maria en Jezus in de tempel aantreft”.

Maar een Bach-cantate is geen opera. De bijbelse figuur van Simeon is verre van wanhopig en misschien ook niet stokoud. En toch zingt hij bij het zien van de kleine Jezus: „Nu kan ik heengaan in vrede.”

Bach wilde dat luisteraars, ook als zij niet wanhopig of stokoud waren, met hem mee mediteerden over die woorden. De ‘ich’ in Bachs cantate is dus niet zozeer de oude Simeon; eerder is het Bach zelf. Of de zanger. Of de kerkganger voor wie deze cantate geschreven is. Of wie ook maar. Daarom kan deze cantate gezongen worden door bas en hobo, maar ook door een sopraanstem met fluit.

En daarom treffen we hier niet alleen een „mengsel van troost en vervoering”, zoals Joost Galema schrijft, maar zit er ook nog een vreemd soort vreugde in. Bach is echt van een andere orde.