De lijsttrekkers zijn allemaal inwisselbaar

Afspiegeling in het parlement

De kandidatenlijst is geen afspiegeling van de samenleving. „Dat is zorgwekkend wanneer burgers de politiek wantrouwen of door politici opzij geschoven worden.”

Lijsttrekkers vullen StemWijzer in Foto Olaf Kraak/ANP

Overwegend man, hoogopgeleid en uit de Randstad. Zo zal de Tweede Kamer er na 15 maart opnieuw uitzien. Want hoezeer partijen ook vinden dat de volksvertegenwoordiging een afspiegeling zou moeten zijn van de bevolking, de kandidaten op verkiesbare plaatsen zijn dat in elk geval niet.

“Zorgwekkend”, vindt politicoloog Armèn Hakhverdian. Hij en Wouter Schakel schreven het boek Nepparlement? dat volgende week uitkomt. De titel is ontleend aan een uitspraak van PVV-leider Geert Wilders vorig jaar, die vond dat het verschil tussen de Kamer en de bevolking “levensgroot” is.

Hakhverdian zegt: “Afspiegeling is des te belangrijker wanneer ondervertegenwoordigde groepen de politiek wantrouwen of wanneer zij als incompetent of ongeïnformeerd ter zijde worden geschoven door politici. De bagage van een politicus – opleiding, inkomen, geslacht, geaardheid, gezinssamenstelling, regio waar iemand woont, noem maar op – heeft invloed op het denken en handelen.”

Hij noemt een Amerikaans onderzoek als voorbeeld: mannelijke politici met dochters bleken ongeacht politieke achtergrond anders te stemmen over abortus en gezinsplanning. Uit Hakhverdians onderzoek blijkt de Tweede Kamer economisch rechtser en sociaal-cultureel linkser dan de gemiddelde kiezer.

Burgers moeten zich herkennen

Afspiegeling is ook belangrijk voor de vereenzelviging met de politiek. Volgens Hakhverdian hoeft een parlement „geen fotokopie” te zijn, maar burgers moeten zich wel kunnen herkennen in hun vertegenwoordigers. Vrijwel alle lijsttrekkers zijn man, terwijl de Nederlandse bevolking evenwichtig is verdeeld tussen man en vrouw. “Zet de lijsttrekkers naast elkaar: ze zijn inwisselbaar. Dat maakt wel degelijk uit voor de beeldvorming. Wat zeg je nu tegen meisjes die de politiek in willen?”

Opleiding noemt Hakhverdian de belangrijkste variabele. “Laag- en middelbaar opgeleiden zijn ondervertegenwoordigd en door gebrek aan herkenbaarheid houden zij zich afzijdig. Daardoor zijn er weer minder laagopgeleide politici die bij het beleid rekening houden met laagopgeleiden. Het versterkt elkaar allemaal.”

Drie op de tien Nederlanders zijn hoogopgeleid. Van de kandidaten die op basis van de laatste Peilingwijzer kans maken in de Tweede Kamer te komen bestaat de meerderheid uit hoogopgeleiden, zo blijkt uit analyse van het Parlementair Documentatie Centrum van de Universiteit Leiden. Dat legde de kandidatenlijsten naast het maximumaantal zetels dat de partijen zouden kunnen halen op basis van die Peilingwijzer, het gewogen gemiddelde van zes peilingen. Dat levert een parlement van 166 zetels op – waarvan er over tweeënhalve week 150 overblijven.

Bijna 20 procent van de kandidaten heeft rechten gestudeerd, 14 procent politicologie of internationale betrekkingen, 5 procent deed een bètastudie. Ruim 6 procent ging naar het mbo, waarvan een aantal kandidaten doorstroomde naar het hbo of verder. William Moorlag (PvdA) is de enige die alleen mavo deed. Hij werkte zich via volwassenenonderwijs op tot vakbondsman.

Bijna 14 procent werkte ooit in het midden- en kleinbedrijf, 12 procent bij grote bedrijven. Vier kandidaten hadden een topfunctie bij bijvoorbeeld Shell. En veel kandidaten hebben eerdere politieke ervaring, als Tweede Kamerlid, in de lokale politiek of als medewerker van een politicus. 62 procent woont in Noord-Holland, Zuid-Holland of Utrecht (45 procent van de bevolking).

Grote vraag is hoe het parlement wél een afspiegeling kan worden. “Geen flauw idee”, zegt Hakhverdian. “Het onderliggende probleem is dat een groep burgers zich stelselmatig afzijdig houdt en er een professionele politieke klasse ontstaat. Als je dat oplost…”