Column

Verf

Georgina Verbaan

Wanneer het KNMI code geel afgeeft spreekt daar het subliminale advies uit om bij café ’t Papeneiland te gaan zitten. Voor mij althans. Dat dat niet voor massa’s anderen geldt is geruststellend. In ’t Papeneiland branden het hele jaar door kerstlampjes. Plastic snoeren vol troostrijke lichtpuntjes voor een donker gemoed. Op de afgebladderde houten bank aan de grachtzijde zit slechts één oude meneer. Donkerbeige pantalon, wit overhemd, zachtbeige vest met bruine elleboogstukken en bebrilde ogen die al veel gezien hebben. Hij leest een krant aan de ronde houten leestafel. Het hout van de bank toont zich vooral op de plekken waar veel gezeten wordt. Op hoeveel broeken, jassen en rokken zijn de restjes zwarte verf – en zo te zien ook een grondlaag van witte – al meegelift naar buiten, en waarheen precies? Minuscule restjes verf per keer, meegenomen zonder dat de vervoerder er erg in had, zonder dat iemand er erg in had. Vele jaren moeten eroverheen gegaan zijn voor deze bank het doorleefde uiterlijk had waarmee de interieurs van vers geopende koffietenten tegenwoordig worden opgeleverd, maar dan verkregen met technieken uit woonbladen. Omdat men bepaalde zaken de tijd niet geeft om te vergaan en men de tijd van andere zaken die vergaan graag stilzet. Zoals gezichten.

Op het oog onzichtbare deeltjes verf reisden mee naar supermarkten, de bedden van geheime liefdes, de keukens van kluizenaars die slechts voor sommigen – sommigen die een krant lazen op de bank van café ’t Papeneiland en aan een bevriende kluizenaar dachten bij het zien van een natte hond – de deur opendoen om een kopje koffie te zetten in een zee vol vieze vaat en de stank van een kattenbak die al maanden niet verschoond is. Stukjes verf, kleiner dan een zandkorrel, zaten tussen zadel en billen vastgeklemd onderweg naar een kinderfeestje, de huisarts, de groenteboer of psychotherapeut.

Deeltjes verf die even eerder nog deel van een geheel waren, waren nu los en aan de goden overgeleverd, reisden mee in de sjaal van een kind met een konijn, eindigden onder een microscoop in het bezinksel van de gecentrifugeerde urine van een man met prostaatproblemen, vermengden zich met aarde op een biet, of moesten naar huis met een vrouw die altijd huilt.

Op de brug vechten fietsers met de wind. Een vrouw met een selfiestick neemt foto’s van zichzelf met de sluis op de achtergrond. Ze lacht en straalt alsof ze voor een zaal vol Oscar-genomineerden staat met haar blote voeten in de warme branding van een tropisch strand. Als ze klaar is spoelt haar grimas met de regendruppels op de glimmende klinkers en duwt ze de stok weer in elkaar en in haar zak. Er komt een vrouw binnen in een roze warme jas. „Wat een weer hé?”, begroet de barman haar. „Ja, ach. Het is nat en het waait”, antwoordt ze monter, terwijl ze haar jas uittrekt. Ze neemt plaats naast de oude man op de bank. Ze vertelt over de euthanasie die ze met iemand voorbereidt en over haar ov-chipkaart. Dus wie weet waar de resten verf aan haar broek nog zullen komen.

De oude man zet zijn bril af. Dat is mooi van oude ogen. Dat je kunt kiezen wat je nog wil zien.