Nog één keer keert de verloren geliefde terug

Marina Abramovic

Even wordt alles weer heel in de wereldberoemde performance van Marina Abramovic in het MoMa. Je ziet het voor je ogen gebeuren.

Foto Scott Rudd

Het is helemaal niet zo moeilijk om weerstand tegen een kunstwerk op te bouwen. Leest ‘iedereen’ dit boek? Dan is het niets en hoef ik het niet te lezen. De Mona Lisa? Ik kan niet inzien wat eraan is. 14 miljoen mensen hebben naar dat ‘ontroerende’ filmpje gekeken waarop Marina Abramovic en Ulay tegenover elkaar zitten? Hm. Lijkt me onzin.

Marina Abramovic zit in het MoMa in New York voor haar inmiddels wereldberoemde performance The artist is present. Iedereen weet hoe het gaat: Abramovic zit op een stoel, voor haar staat een tafeltje, aan de andere kant staat nog een stoel en steeds gaat daar iemand uit het publiek op zitten.

Abramovic kijkt die persoon aan. En op een gegeven moment stapt hij of zij weer op.

En op een van de ongeveer tachtig dagen dat Abramovic deze sessies hield, kwam Ulay in de andere stoel zitten. Ulay, de man, de kunstenaar, met wie ze twaalf jaar een relatie had, met wie ze een wereldberoemd duo vormde dat keiharde performances deed waarbij ze hun lichamen tot het uiterste beproefden, en zowel gevaarlijke als eenvoudige dingen deden, zoals ieder aan een kant van de Chinese muur beginnen en naar elkaar toe lopen. Wat nog helemaal niet zo heel eenvoudig is trouwens, want zwaar en lang en koud. Ze ontmoetten elkaar ongeveer in het midden – en gingen uit elkaar. Voorgoed.

Einde.

En dan zit ze dus 28 jaar later in het MoMa en doet die performance. Na elke bezoeker keert ze in zichzelf, slaat haar ogen neer, en pas als er weer iemand anders zit concentreert ze zich en slaat de ogen weer op.

Dan zit hij daar.

Haar steeds bewegingloze gezicht vertrekt een seconde, er glijdt een kort glimlachje over en hij schudt even, vriendelijk, bemoedigend, zijn hoofd. De tranen beginnen over haar wangen te stromen. Voor de eerste en enige keer in al die dagen buigt ze zich wat voorover en strekt haar handen uit. Tien seconden houden ze elkaars handen vast, dan zitten ze ieder weer rechtop en kort daarna gaat hij weg.

De hele wereld stond op zijn kop de dagen daarna. Wat een sensatie! Wat een emotie! Wat een ontroering!

Dus daar denk je tegenin. Allemaal aanstellerij, publiek gedoe, ze hadden elkaar heus al wel weer eerder teruggezien vóór dat museum en wat kunnen mij die Ulay en die Abramovic schelen.

Niets.

Maar nu is de biografie van Abramovic verschenen en daarom interviewde Sandra Smallenburg haar in deze krant en op de site stond daar dat filmpje bij.

Oké dan.

Het opmerkelijke aan aangrijpende kunst is altijd dat je het gevoel hebt dat het speciaal voor jou is. Dat jij dit als enige kunt begrijpen en doorvoelen. En dat is ook waar: je bent zelf de enige met jouw gevoelens, gedachten, emoties.

Tegelijkertijd is goede kunst zo goed omdat die iets uitdrukt dat veel dieper en groter is dan het individuele. Veel groter dan deze toevallige twee mensen met hun hoogst particuliere geschiedenissen.

En wat je dus ziet, is wat je het meest verlangt dat waar is, en wat waar blijkt te zijn: iemand kan terugkeren uit de dood.

En om nog preciezer te zijn: degene die je het meest verlangt weer te zien kan terugkeren uit de dood. Hij zit voor je ogen. Even kijk je elkaar voorgoed aan, met spijt, met geen spijt, met liefde, met afscheid, met afstand en de grootst denkbare nabijheid. Met alles.

De Griekse held Protesilaos is de eerste die omkomt in de oorlog bij Troje. De goden staan hem toe om nog een paar uur naar huis terug te keren, naar zijn jonge vrouw Laodamia. Dan moet hij opnieuw naar de onderwereld.

Martinus Nijhoff schreef er een lang gedicht over, ‘Een idylle’. De echtgenoten mogen maar één uur weer bij elkaar zijn, en de ontmoeting laat hij plaatsvinden tien jaar na de dood van Protesilaos. Ze komen over de liefde te spreken. Wat dat is. Laodamia zegt het in een heel simpel kwatrijntje:

Voor mij is liefde een geur door het huis,

een stem, een stap, iemand komt thuis,

men hoort hem op ’t binnenplein

neuriënd met iets bezig zijn.

Als Protesilaos terug moet, gaat Laodamia met hem mee. Ze wil niet zonder hem verder leven. Ze kan dat niet nog eens.

De ontmoeting van Ulay en Abramovic daar in dat museum is de allerbeknoptste verfilming van dat verhaal. Een oeroud verhaal dat een van de diepste wensen van de mensen uitbeeldt. De dode terugzien. Desnoods maar even.

Ulay was natuurlijk niet dood. Maar in zekere zin was hij dat wel: hij is de verloren geliefde die alleen in het herinnerde verleden nog leeft. De ontmoeting is geen terugkeer naar dat verleden, maar neemt de tussenliggende tijd in acht, de geliefden zijn ouder geworden, ze zijn geen geliefden meer, ze zien elkaar ieder vanuit hun eigen heden. En ze doen wat Laodamia en Protesilaos niet voor elkaar kregen: ze gaan weer uiteen.

En daarna gebeurt er in de werkelijkheid nog van alles, maar daar heeft dit kleine kunstwerk niets meer mee te maken.

In het interview met Marina Abramovic in deze krant zegt ze over die ontmoetingen in het MoMa en de enorme emotionerende kracht ervan, ook als het om totaal vreemden gaat: „De emoties komen als een soort vulkaanuitbarsting omhoog. Omdat we allemaal eenzaam zijn. We hebben allemaal wel eens iemand verloren. We zijn allemaal bang om dood te gaan.”

Rechtstreekser kan het niet, het is bijna eng zo onomwonden als ze het zegt.

Maar het is precies wat je ziet.

Is het kitsch?

Dat zou kunnen. Maar omdat ik de enige ben die het begrijpt, is het voor mij geen kitsch. En voor die 14 miljoen anderen ook niet.