Column

Het gaat fantastisch,of voelt ‘t bij u anders?

De AEX beursindex stootte woensdag even door de 500 punten en iemand vroeg me: vanwaar dat optimisme? Er zijn toch vooral boze en bange mensen in Nederland? Goeie vraag, want het verbaast mij ook. Niet dat mensen bang en boos zijn, daarover straks. Maar wel dat het zo lastig is om economisch optimisme te aanvaarden. De economie zoals economen die uit cijfers en statistieken destilleren, staat kennelijk ver af van de gevoelseconomie, de gang van zaken die burgers beleven.

De economie doet het namelijk fantastisch. Dat zie je aan harde én zachte indicatoren. Neem het nieuws dat de rijksbegroting over 2016 een overschot van 200 miljoen euro heeft. Het wordt bijna voor kennisgeving aangenomen, terwijl een overschot een zeldzaamheid is. Dat gebeurt alleen in economische hoogtijdagen. Want hoe komt het? De werkgelegenheid groeit, dus betaalt de overheid minder werkloosheidsuitkeringen, maar incasseert de fiscus wel meer inkomstenbelasting, BTW en overdrachtsbelasting bij huizenverkopen.

Nog een meevaller: grote bedrijven maken meer winst en zij betalen hun gestegen winstbelasting vooruit. Want bij de bank levert dat geld niks op. En als zij straks een hogere belastingaanslag krijgen, betalen zij daarover juist wél meer rente.

Een zachte indicator? Deze week ging op twitter een verhaal rond uit de Financial Times, de Britse zakenkrant. In een serie over populisten in Europa kwam aflevering 1 uit Oude Pekela, geschreven door Simon Kuper, een kenner van Nederland. Een van zijn observaties: als dit het armste dorp van Nederland is, gaat het in dit land best goed.

Indicator drie: vorig jaar zijn de prijzen van koopwoningen gemiddeld met 5 procent gestegen. Dat komt neer op ruim 52 miljard euro. Bijna drie van de vijf huishoudens, dat zijn er 4,2 miljoen, bezitten een koopwoning. Zij zijn 52 miljard euro rijker. Voorwaar, toch iets om blij van de worden.

En dan toch ook bang en boos? Burgers zijn ontevreden over normen en waarden (van Zwarte Piet en de invloed van de Islam tot en met integratie van minderheden en omgangsvormen in de publieke ruimte) én over hun toegang tot twee essentiële bestanddelen van de samenleving. Dat zijn de gezondheidszorg en de arbeidsmarkt. Het verlangen naar het oude ziekenfonds (simpel, toegankelijk, je wist waar je recht op had) is intens.

Op de arbeidsmarkt is de gevoelseconomie misschien wel het meest negatief. Van onzekerheid over de gevolgen van robotisering tot woede over flexcontracten en de gevolgen van arbeidsmigratie uit voormalig Midden- en Oost-Europa.

Op dit onderwerp slaan oude partijen, zoals het CDA en de Partij van de Arbeid, in de verkiezingscampagne nieuwe piketpaaltjes. CDA-lijsttrekker Sybrand van Haersma Buma zei deze week in Het Financieele Dagblad: het Europa dat we kenden, werkt niet meer. En over onzekere flexbanen: niet gek dat dat zich vertaalt in boosheid richting politiek.

Maar een cruciale partij hoor je niet: de werkgevers. De politieke vertaling van bange en boze burgers is een radicale keus: anti-Europa, anti-euro, AOW op 65 jaar. Alles wat werkgevers niet willen. Als zij bang zijn voor middelpuntvliedende krachten, dan moeten ze iets laten zien. Als de werkgevers bang zijn voor een versnipperde verkiezingsuitslag en een kabinetsformatie van 500 dagen.

Als VNO-NCW Nederland naar een nieuw niveau wil tillen, en dat wil ze, moet eerst de basis van de arbeidsmarkt versterkt worden. Met daden. Pak discriminatie aan, kom met meer stageplaatsen en biedt meer vaste contracten.