Commentaar

Erfelijkheidsmythen

Hendrik Spiering

In Zuid-Amerika leven vele indianengroepen waar het idee bestaat dat een kind meerdere biologische vaders heeft. Dat pakt goed uit, want daardoor heeft een kind vaak meer dan één mannelijke beschermer. Wij weten dat de biologische werkelijkheid echt anders is, maar verderop in deze bijlage maakt Lucas Brouwers korte metten met onze eigen mythen over erfelijkheid.

We denken meestal dat erfelijkheid van een eigenschap een hard objectief te bepalen gegeven is, maar in werkelijkheid is het een haast postmoderne constructie die alleen bestaat binnen een bepaalde cultuur of samenleving. Erfelijkheid zegt vooral iets over de omgeving, gek genoeg. Sowieso gaan de erfelijkheidspercentages altijd over groepen, nóóit over individuen. Handig om te weten als het weer eens over DNA en rechtsspraak gaat.

De meeste mythen zijn ontstaan doordat in de wetenschap het woord erfelijkheid op subtiele wijze iets totaal anders betekent dan in het dagelijks taalgebruik. Het bezit van twee ogen heeft aldus officieel een erfelijkheid van nul (omdat de variatie in dat aantal vrijwel uitsluitend wordt bepaald door de omgeving). En in een land zonder goed onderwijs is de erfelijkheid van intelligentie laag (omdat alleen kinderen uit de betere milieus hun intelligentie kunnen ontwikkelen: omgevingsinvloed dus). Dat is ook de bron van de eindeloos herhaalde racistische IQ-mythes over verschillen tussen ‘rassen’.

De Zuid-Amerikaanse mythe van het gedeelde vaderschap lijkt gunstig uit te pakken. Maar of dat ook voor onze genetische mythes geldt is de vraag. Want een kind dat hoort dat hij of zij aangeboren slimheid bezit, zal doorgaans minder hard studeren en werken, en dus minder slim worden. En wie denkt dat hij nu eenmaal geen aangeboren talent voor sporten heeft zal nooit echt gaan oefenen (en dus vroeger sterven).