Cultuur

Interview

Interview

James Kennedy en de moeizame tolerantie van Nederlanders

In zijn onlangs verschenen boek laat deze historicus zien hoe de geroemde Nederlandse tolerantie uit een gefragmenteerde samenleving voortkwam. ‘De conflicten boden ruimte voor nieuwe regelingen en nieuwe ideeën.’

Nee, ik geloof niet dat het purisme van De Stijl iets typisch Nederlands is”, antwoordt de Amerikaanse historicus James Kennedy desgevraagd, nadat hij bij het afscheid in bijna accentloos Nederlands heeft uitgelegd dat de halte van bus 18 naar het Centraal Station in Utrecht iets voorbij het Rietveldhuis ligt. „Mondriaan en andere De Stijlkunstenaars wilden tot de kern van de dingen doordringen. Ze waren ervan overtuigd dat achter de zichtbare werkelijkheid een andere, diepere waarheid ligt en dat de kunstenaar de plicht had die weer te geven. Dat is niet iets specifiek Nederlands. Dat idee bestond een eeuw geleden onder kunstenaars in heel Europa. In Rusland streefde bijvoorbeeld Malevitsj toen naar iets soortgelijks als Mondriaan.”

Als dean van het University College Utrecht werkt James Kennedy (1963) sinds 2015 in een van de oude gebouwen op het terrein van de voormalige Kromhoutkazerne, dat nu fungeert als universiteitscampus. Eerder was Kennedy hoogleraar aan de Vrije Universiteit (2003-2007) en de Universiteit van Amsterdam (2007-2015). Onlangs verscheen Een beknopte geschiedenis van Nederland, dat begint met de pre-romaanse tijd en eindigt met de opvang van de Syrische vluchtelingen in 2015/’16.

Tot ‘Een beknopte geschiedenis van Nederland’ hield u zich in uw boeken vooral bezig met de Nederlandse geschiedenis van na 1945. Heeft de diepe duik in de geschiedenis nieuwe inzichten opgeleverd?

„Misschien was ik tot voor kort een beetje naïef over het Nederlandse verleden. Mede door de radicale, maar betrekkelijk soepele veranderingen in de jaren zestig die ik in Nieuw Babylon in aanbouw beschrijf, dacht ik dat Nederlanders altijd gemakkelijk in gesprek met elkaar zijn gegaan. Maar Nederland is lang niet altijd het poldermodelland geweest dat in de jaren negentig werd bewonderd door president Clinton en premier Blair.

„Wat me trof bij het schrijven van Een beknopte geschiedenis hoe lang en moeizaam het eenwordingsproces was en ook hoe conflictueus. Ook is me opgevallen hoe gefragmenteerd Nederland was en eigenlijk nog steeds wel is. Er bestonden grote lokale en religieuze verschillen en sommige delen van het huidige Nederland – onder de rivieren en delen van het oosten – maakten helemaal geen deel uit van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

„De conflicten en de fragmentatie hadden overigens ook grote voordelen: ze boden ruimte voor nieuwe regelingen en nieuwe ideeën. Een mooi voorbeeld daarvan vind ik altijd de politieke ontwikkelingen in de tweede helft van de 19de eeuw. Er leek toen een liberale hegemonie te ontstaan, maar de gereformeerde politicus Abraham Kuyper, benutte de ruimte om nieuwe vormen van een maatschappelijke middenveld te creëren. Arrangementen als Kuypers soevereiniteit in eigen kring zijn de gevolgen van gekrakeel en onenigheid.”

U noemt de Nederlandse tolerantie ‘niet uniek’ en ‘niet consequent’. Is die beroemde tolerantie een mythe?

„Ik zou het algemene beeld van de Nederlandse tolerantie niet willen laten kantelen: Nederland kende inderdaad al vrij vroeg betrekkelijk veel vrijheden. Maar er vallen wel kanttekeningen te plaatsen bij de tolerantie. Zo kende die altijd een hiërarchie: het is tolereren en getolereerd worden. Dat betekent dat niet alle betrokkenen gelijke rechten hadden en een gelijke positie. Nederland heeft een eigen manier gevonden om religieuze groepen samen te laten leven. Of misschien moet ik zeggen: manieren, want in Amsterdam ging en gaat het anders toe dan in Maastricht.

„Wat ik vooral wil beklemtonen in mijn boek is dat ook de tolerantie heel moeizaam tot stand is gekomen en ook altijd iets moeizaams heeft gehouden. Tolerantie was hier meer het behouden van de lieve vrede dan de principiële overtuiging dat iedereen het recht op gewetensvrijheid heeft. Een van de rode draden in mijn boek is de langdurige notie dat Nederland een protestants land is. Die ging gepaard met een flinke dosis anti-katholicisme. Zelfs toen de katholieken na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 weer hun eigen kerken mochten bouwen, kregen veel protestanten het gevoel dat de papen met hun neo-gotische kerken hun stad of dorp aan het overnemen waren. Pas toen prinses Irene in 1964 overging op het katholieke geloof, werd het anti-katholicisme minder.”

Tegenover het conflictrijke karakter van Nederland stelt u ook een drang tot consensus. In een van uw columns in ‘Trouw’ heeft u Nederlanders zelfs conformistisch genoemd. Tegelijkertijd stelt u dat in weinig andere landen vernieuwing zozeer als deugd wordt gezien als hier. Vernieuwing en conformisme – is dat de verklaring voor de snelle en radicale veranderingen die het moderne Nederland kenmerken, van ontkerkelijking in de jaren zestig tot rigoureuze flexibilisering van arbeid in het afgelopen decennium?

„Nederlanders zijn zich bewust van hun kwetsbare positie: iedere Nederlander behoort tot een minderheid in een klein land. Hierdoor zijn zij ervan doordrongen dat ze rekening moeten houden met wat er om hen heen plaats vindt, ook op wereldschaal. Telkens zie je gebeuren dat Nederland eerst vaststelt dat het een bepaalde kant opgaat in de wereld en zich daar vervolgens razendsnel aan aanpast. Daarbij gaat een zekere troost uit van het gegeven dat iedereen in Nederland is onderworpen aan de vaak technologische veranderingen: we zitten allemaal in hetzelfde schuitje en we moeten zorgen dat het niet kapseist.

„Een mooi voorbeeld van zo’n razendsnelle verandering is het Akkoord van Wassenaar in 1982, waarin werkgevers, werknemers en de regering-Lubbers loonmatiging afspraken. Dat kwam slechts drie jaar nadat Thatcher in Groot-Brittannië aan de macht was gekomen en de strijd tegen de vakbonden was begonnen. In Nederland veranderen het ethos en de opvattingen heel snel als men eenmaal tot de conclusie is gekomen dat het over een andere boeg gegooid moet worden.”

In een recente column merkt u op dat de veranderde houding tegenover migratie het open Nederland heeft veranderd in een gesloten bolwerk.

„Er zijn natuurlijk eerder periodes geweest dat Nederland niet zo open was. Ook bij de voorlaatste grote immigratiegolf twintig jaar geleden vatte het idee post dat het minder migranten moest toelaten. Maar nu loopt bijna geen partij nog echt warm voor opvang van Syrische vluchtelingen.”

De gereserveerde houding tegenover vluchtelingen is internationaal. President Trump kondigde onlangs een inreisverbod voor inwoners van zeven islamitische landen aan.

„Maar er is wel een verschil: wettige immigratie staat niet ter discussie in de VS. Het idee blijft dat immigratie een goede zaak is, mits het goed geregeld is en de juiste mensen komen. Hier is de houding tegenover immigratie nu minder positief. Nederland lijkt zich zorgen te maken over de vraag: hoe zorgen we dat Nederland Nederland blijft als er veel mensen immigreren die zich niet zo makkelijk aanpassen aan de westerse samenleving.”

Over Trump heeft u eens geschreven dat u zich niet kon voorstellen dat hij president zou worden.

„Ik kan me dat nog steeds niet voorstellen. Voor het eerst van mijn leven heb ik slapeloze nachten over de toekomst van mijn land.”

Bijna niemand zag hem president worden. Is er iets over het hoofd gezien? De ‘basket of deplorables’ misschien?

„Achteraf kun je vaststellen dat de fixatie op de persoon Trump tot een tunnelvisie heeft geleid. Ook bij mij. In het najaar van 2016 heb ik in de VS lezingen gehouden waarin ik de verweesdheid van de Trump-aanhangers vaststelde. Verweesd, ja, inderdaad: dat woord gebruikte Fortuyn ook al. Maar toch dacht ik steeds: nee, zo’n verschrikkelijke man, dat kan niet, die kan onmogelijk president worden. Misschien is de les dat we ons niet zo moeten fixeren op Trump nu hij aan de macht is, maar meer acht moeten slaan op de krachten om hem heen.”

Sommige historici geloven dat het Europese en Amerikaanse populisme het einde betekent van de neoliberale orde waarvan Thatcher en Reagan de pioniers waren. ‘There is no alternative’, zei Thatcher altijd, maar populisten lijken er wel een te hebben, beweren ze.

„Ik moet het nog zien. Om te beginnen zijn niet alle populisten tegen het neoliberalisme. Maar ook bij de anti-globalistische populisten is het nog maar afwachten of ze wezenlijke veranderingen in de economische orde tot stand kunnen brengen. Je ziet nu dat de verweesde kiezers in veel landen tegemoet worden gekomen in hun zorgen over bijvoorbeeld flexibele arbeid, maar het is heel goed mogelijk dat dit bij symboolpolitiek blijft. Een van de spannendste vragen van nu is of Trump met zijn bilaterale handelsverdragen waarop hij zijn kaarten zet, een nieuwe economische orde weet te scheppen. Dat wordt de proof of the pudding.”

James Kennedy: Nederland. Een beknopte geschiedenis. Prometheus, 424 blz. € 29,99. De Engelse editie verschijnt in juni bij Cambridge University Press.