Column

Marokkaans vriendje

In het dorp in de Hoeksche Waard waar ik ben opgegroeid woonden alleen maar witte mensen. Toen wij een Surinaams logeetje uit de stad over de vloer kregen, stak mijn overgrootvader speciaal daarvoor op zijn klompen de dijk over. Nieuwsgierig betastte hij haar kroeshaar en biechtte op dat hij zwarte mensen alleen maar kende van de televisie. Van Sesamstraat, zijn favoriete programma. En toen ergens halverwege de jaren zeventig het eerste Turkse gezin in het dorp kwam wonen, dacht opa dat het Zeeuwen waren, met hun donkere uiterlijk en hoofddoekjes. Oudere vrouwen op het eiland – en zeker de Zeeuwse – droegen in die tijd ook sjaaltjes om hun hoofd namelijk, vandaar opa’s verwarring. Ook was het heel vanzelfsprekend dat de eerste Surinaamse jongen op onze school benoemd werd tot Hoofdpiet tijdens de intocht van Sinterklaas, een rol die hij met plezier leek te vervullen trouwens. Zo ging dat in die tijd.

Mijn kinderen zijn allebei opgegroeid in Rotterdam, een stad met ruim 170 verschillende nationaliteiten. Onze oudste zoon (22) heeft een heel kleurrijke vriendenkring en walgt van Zwarte Piet en nog meer van Geert Wilders. Wat niet wil zeggen dat hij zich niet ook af en toe negatief uitlaat over bepaalde aspecten van de islam en uiteindelijk maar weinig aansluiting vindt bij vooral Marokkaanse jongeren, omdat het volgens hem simpelweg „niet matcht”. Volgens mijn zoon mijden de groepen elkaar in het uitgaansleven en leven ze op straat (over het algemeen vreedzaam) langs elkaar heen.

Toch lijkt het alsof daar voorzichtig verandering in komt, als we tenminste zien hoe onze jongste van 14 zich door de stad beweegt. Een van zijn beste vrienden is van Marokkaanse afkomst en speciaal daarvoor heeft hij zich op zijn manier ‘verdiept’ in de islamitische cultuur. Als Hamza bij ons op bezoek komt, gaat de hond in een andere kamer en word ik verzocht rekening te houden met wat ik de jongen voorschotel (wat nog een hele klus is trouwens). Omgekeerd komt mijn zoon ook graag bij zijn nieuwe vriend over de vloer, waar hij zich door zijn Marokkaanse oma flink in de watten laat leggen. Maar toen hij onlangs Hamza’s moeder in huis zonder hoofddoek aantrof, wist onze zoon zich geen raad. „Wat moet ik nu doen?” appte hij mij vanaf het toilet, waar hij zich vanwege de ongemakkelijke situatie had teruggetrokken. „Moet ik weggaan? Mag ik haar niet aankijken?” Omdat ik het ook niet wist, adviseerde ik hem het voorzichtig aan zijn vriendje voor te leggen. Allemaal onzin, zo bleek. Sindsdien logeert onze zoon er regelmatig, in oma’s bed, die dan zelf op de bank gaat slapen.

Ik ben er trots op dat mijn kinderen zich staande weten te houden in deze grote stad en – in tegenstelling tot hun ouders – zich dan toch eindelijk lijken te mengen met al die verschillende culturen. Het geeft me hoop, al valt er tegelijkertijd nog een hoop te bevechten en is het allemaal nog lang niet vanzelfsprekend.

(@mirjamdewinter) is stadsgids in Rotterdam.