Opinie

Juist om die belerende vinger wordt de elite zo gehaat

De behoeften van de elite zijn ‘hoger’ dan die van de gewone man, maar daarmee niet belangrijker. Want die van de gewone man zijn fundamenteler, schrijft hoogleraar

PvdA langs de deuren in flat aan het Osdorpplein. Foto ANP / Koen van Weel

Nooit waren er zoveel kloven tussen mensen: arm versus rijk, links versus rechts, hoog- versus laagopgeleid, wit versus zwart. De belangrijkste van allemaal lijkt die tussen ‘de elite’ en ‘de gewone man’. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) verdeelde Nederland onlangs in zes groepen. Er is een ‘gevestigde bovenlaag’ van vijftien procent die hoogopgeleid, welvarend en cultureel ontwikkeld is, en die bovendien invloed kan uitoefenen op beleid, cultuur en economie.

Deze groep steekt duidelijk uit boven de rest, en geeft zichzelf qua ‘geluk’ een 8,1. Dan volgen wat middengroepen. Onderaan bungelen wat het SCP ‘onzekere werkenden’ en het ‘precariaat’ noemt, groepen zonder zekerheid op, of helemaal geen werk, en met weinig ander socio-economisch kapitaal. Deze twee onderste groepen, 29 procent in totaal, geven zichzelf een 6,2. Het SCP spreekt van een ‘ongemakkelijke tegenstelling’ tussen deze bovenste en onderste groepen. De kloof tussen ‘elite’ en ‘ontevredenen’ is dus geen fictie.

En nooit eerder leek die kloof breder. Iedereen leeft in zijn eigen bubbel, en de wederzijdse haat spat dagelijks van sociale media, kranten en televisie. Populisten spinnen garen bij het vergroten van de tegenstellingen, en winnen referenda en verkiezingen, straks ook in Nederland. Waarom is er zo weinig wederzijds begrip?

De piramide van behoeften

In 1954 publiceert Abraham Maslow zijn beroemde theorie over de ‘hiërarchie van behoeften’. Hij stelt dat mensen als eerste verlangen naar de bevrediging van basale fysiologische behoeften als voedsel, onderdak en slaap. Als die behoeften zijn bevredigd zoeken mensen naar veiligheid, zekerheid, bescherming en regels. Dan zijn vriendschap en relaties aan de beurt, gevolgd door de zoektocht naar status, eer en erkenning. En pas als dat allemaal is bereikt, ontstaat de behoefte aan persoonlijke groei en de vervulling van idealen.

Dat hoogste punt in Maslows ‘piramide van behoeften’ is maar weinig gegeven, ziet hij in zijn onderzoek. Voor de meeste mensen nemen de dagelijkse beslommeringen rond geld, zorg voor het gezin, of de ratrace op het werk al zo veel tijd en energie in beslag dat dromen en idealen al snel naar de achtergrond verdwijnen.

De kloof tussen de elite en de gewone man lijkt daarmee vooral een kloof tussen de mate waarin de behoeftehiërarchie van Maslow is gevuld. Voor de gewone man is werk geen ‘passie’ of de vervulling van een persoonlijke ambitie, maar een noodzakelijk kwaad om voedsel, onderdak en wellicht wat vriendschap te vinden. Baangarantie is met tijdelijke contracten en jaarlijks terugkerende reorganisatierondes nog maar weinigen gegeven. Voor fatsoenlijke zorg voor kinderen of ouderen is geen geld of tijd, want iedereen moet werken, twee banen per gezin is de norm. Wie een krant openslaat krijgt snel de indruk dat de wereld een chaos is van terrorisme, armoede en conflict.

Vasthouden aan wat er nog is

Hoe anders ziet de wereld eruit voor de elite. Vanuit de zekerheid van kapitaal, carrière of status kan men werken aan idealen, passies en een betere wereld. De elite zit duidelijk in de top van de piramide. Toch ziet die elite zijn luxebehoeften als even belangrijk – of misschien wel als belangrijker – dan het gesappel van mensen die bezig zijn meer basale behoeften te vervullen. Met het nodige dédain worden die behoeften gezien als egoïstisch, hebberig of kortzichtig.

Het is juist die belerende vinger die onder in de piramide veel woede opwekt. Vooral voor de westerse middenklasse zijn de druiven zuur. Want ooit leek ook voor hen de top in zicht. Maar dankzij globalisatie en de neoliberale agenda is alle opgebouwde zekerheid verdwenen. Weg is de hoop op een rustige oude dag, weg de hoop op een andere baan die beter past bij de eigen ambities. Er rest weinig meer dan krampachtig vasthouden aan wat er nog is: eten, een dak, een gezin. Meer zal het nooit meer worden. Intussen trekt de karavaan van edellieden verder naar de top, het gepeupel iets naroepend over milieu en mededogen met vluchtelingen.

De behoeften van de elite zijn ‘hoger’ dan die van de gewone man, maar daarmee niet belangrijker. Want die van de gewone man zijn meer fundamenteel. Wie begrip heeft voor vluchtelingen die op zoek gaan naar veiligheid en onderdak, moet evenveel begrip hebben voor mensen die alle zekerheden om zich heen zien verdwijnen. Natuurlijk zijn de laatsten nog net iets beter af dan de eersten. Maar het gaat de mensen helemaal bovenin niet aan het morele hoge paard te berijden en te roepen om solidariteit, terwijl ze die juist zelf niet geven. Dat maakt mensen kwaad. Ongeveer net zo kwaad als het Franse volk was op Marie Antoinette, die riep dat wie geen brood had dan maar brioche moest eten. En dat gaat een keer fout.