Cultuur

Interview

Interview

Roger Cremers

Sonja Barend: ‘Ik zal de waarheid nooit helemaal kennen’

Interview

De vader van Sonja Barend werd weggehaald toen ze twee jaar was. Ze weet weinig over de toedracht. „Als ik ernaar vroeg zei mijn moeder: ‘ach kind, dat weet ik niet meer’.”

Soms is ze er zelf nog een beetje beduusd van dat ze het allemaal heeft opgeschreven. Want in haar boek Je ziet mij nooit meer terug laat Sonja Barend (76) bijna geen aspect van haar levensverhaal onaangeroerd. „Het is het allerpersoonlijkste dat ik ooit heb gemaakt. Persoonlijker kan het niet.”

Het is geen boek over de televisie geworden, hoewel dat eerst wel haar bedoeling was. Maar toen ze eenmaal aan het schrijven was, besefte ze dat het over iets anders moest gaan. „Als je op gaat schrijven wát je gedaan hebt, moet je je vooral afvragen waaróm je het gedaan hebt. Wat al die jaren je drijfveren en je motieven waren.”

De titel Je ziet mij nooit meer terug verwijst naar de laatste woorden van haar vader, vlak voordat hij weggevoerd werd. David Barend leek als jonge joodse man in Amsterdam in de zomer van 1942 nog geen direct gevaar te lopen. De grote deportaties zouden pas later beginnen. En zijn huwelijk met een niet-Joodse vrouw – Sonja’s moeder – leek ook nog voldoende bescherming te bieden. Toch stonden er op een dag twee mannen voor de deur. „Twee keurige Nederlandse heren die aan mijn moeder vroegen of haar man thuis was.” En hoewel haar ouders het er regelmatig over gehad hadden wat zij in zo’n situatie zouden doen – zij zou het bezoek aan de praat houden zodat David tijd had om zich te verstoppen – zei ze direct: „ja, meneer”.

David had geen schijn van kans. „Ze realiseerde zich waarschijnlijk niet wat ze kwamen doen.” Vlak voordat hij werd weggevoerd legde hij zijn portefeuille in de rand van de hanglamp boven de tafel, en zei tegen zijn vrouw: „je ziet mij nooit meer terug”.

Aanvankelijk zat ze zichzelf bij het schrijven enorm in de weg. „Ik voelde mezelf voortdurend over mijn schouder meelezen. Dan overviel de gêne mij. Het duurde lang voordat ik die kwijt was. Ik dacht steeds: „waarom zou je dat nou opschrijven?” Maar het kon niet anders, zegt ze. „Ik heb veertig jaar lang mijn best gedaan om anderen hun verhaal te laten vertellen. En de enige die dat dan niét zou doen, zou ik zelf zijn? Dat kan niet.”

Fysiek heeft hij nooit voor mij bestaan

En er kwam nog iets anders bij: ze wilde haar vader een stem geven. „Fysiek heeft hij nooit voor mij bestaan. Ik was twee jaar toen hij weggehaald werd. Hij heeft nog een half jaar gevangen gezeten in Scheveningen. Ik ben er laatst pas achter gekomen dat hij ook daar niet op een lijst staat. Hij zal ongetwijfeld wel op een lijst van de Duitsers hebben gestaan, maar die is verloren gegaan. Dus zelfs daar heeft hij in feite ook niet bestaan.”

Als jong meisje wist ze niets van het verhaal. Ze groeide op bij haar grootouders, en heette Sonja de Groot, genoemd naar de man met wie haar moeder later getrouwd was. Toen ze op haar negende bij een tante op een verjaardagskalender bij 29 februari ‘Sonja Barend’ zag staan, was ze eerst heel verbaasd. Goh, nog een Sonja die op dezelfde dag jarig was als zij. Totdat bleek dat zij diezelfde Sonja was, met de achternaam van haar echte vader.

Roger Cremers

Ze realiseerde zich eigenlijk niet dat het verhaal van haar vader zo’n bepalende rol in haar bestaan speelde. Totdat bij de voorbereiding van een uitzending van Barend & Witteman op vier mei opeens de bom barstte. Ze zou die avond praten met een vrouw, die als meisje meemaakte hoe haar vader door de Duitsers werd opgepakt. In een wanhopige poging om de Duitsers op andere gedachten te brengen had ze een bos bloemen uit een vaas gerukt en een van de soldaten op haar knieën gesmeekt om haar vader niet mee te nemen. Tevergeefs. Barend huivert zichtbaar terwijl ze erover vertelt: „Ik zag dat helemaal voor me: dat uniform, die laarzen, en hoe dat meisje op haar knieën valt voor die Duitse soldaat, met die druipende bos bloemen… Ik kon niets anders meer dan huilen. Uiteindelijk heeft Paul Witteman de presentatie die avond van mij over moeten nemen. Terwijl ik nu denk: had het maar wel gedaan. Want al wás ik op televisie in huilen uitgebarsten… wat dan nog?”

Haar vader is haar leven lang een foto gebleven. Een foto van een gebruinde man, halverwege de dertig, zittend op een muurtje in de zon. „Dat is zo gek; als ik vroeger naar die foto keek, vond ik hem een oude man. Nu ik hem al zover in leeftijd voorbij ben allang niet meer. Hij is eigenlijk steeds jonger geworden.” Soms kwam ze een flardje over hem te weten. Wanneer haar schoenen vroeger weer ’ns verzoold moesten worden, verzuchtte haar moeder: „kind, je slijt je schoenen precies zoals je vader”. „Daar was ik dan heel blij mee, want dat was tenminste iets.” Maar wie haar vader was, en wat er precies aan zijn arrestatie vooraf gegaan is, kwam ze niet te weten. Voor haar moeder was het geen onderwerp. „Als ik ernaar vroeg zei ze altijd: ‘ach kind, dat weet ik niet meer. Het is zo lang geleden.’”

Heel af en toe doken er mensen op die David gekend hadden. Begin jaren vijftig stak haar moeder de Vrijheidslaan in Amsterdam over, toen er opeens een auto voor haar stopte. „Daar sprong oom Harry uit, zijn beste vriend.” Vanaf dat moment was er weer een dun lijntje naar haar verloren vader. Ze ging als meisje vaak bij oom Harry en tante Jo op bezoek. Maar ook tijdens die bezoekjes kwam ze eigenlijk niets over hem te weten. „Als ik vroeg: ‘oom Harry, vertel ’ns over m’n vader”, dan zei hij eerst: ‘ik had ’m nog zó gewaarschuwd om geen handeltje in hout te beginnen’. Vervolgens begon hij onbedaarlijk te huilen. Ik was te jong om door te vragen. Ik vond het al heel fijn dat ik een vriend van mijn vader kende. Dat Joodse van oom Harry en tante Jo had een enorme aantrekkingskracht op me. Hoewel ik dat toen natuurlijk helemaal niet kon benoemen. Het was vooral de warmte die me aansprak.”

Nog iemand met zijn naam

Het contact met haar stiefvader verliep ronduit slecht. Zo slecht, dat ze al op haar zestiende uit huis ging. Al accepteerde hij wel dat ze ‘Barend’ op haar diploma liet zetten, in plaats van ‘De Groot’. „Ik ben het hem echt gaan vragen, omdat ik het zielig voor hem vond. Maar ik kon er gewoon niet van slapen dat er een andere naam op mijn diploma zou staan.” Natuurlijk, ze had ook de rest van haar leven De Groot kunnen heten, zegt ze. „Maar dat vond ik niet kunnen tegenover mijn echte vader. Die had al helemaal niets, die bestónd niet eens meer. Nu zou er tenminste nog iemand zijn met zijn naam.” Het huwelijk van haar moeder met haar stiefvader, waaruit haar twee halfbroers werden geboren, was uiterst gecompliceerd. In haar boek beschrijft ze hoe ze als kind soms dacht: „‘Als ik later mijn eigen geld verdien, betaal ik een echtscheiding voor mama.’ Ik had toen nog niet door dat ze dat toch nooit gedaan zou hebben. Dat had ze helemaal niet gedurfd.” Hij overleed in 1971, bij de aftrap van de Europacupfinale Ajax- Panathinaikos, aan een hartaanval. „Hij had zó’n hekel aan Ajax. Hij was als de dood dat ze zouden winnen. Hij is echt aan Ajax doodgegaan.”

Als kind dacht ze soms: ‘Als ik later mijn eigen geld verdien, betaal ik een echtscheiding voor mama.’

Met haar moeder had ze tot aan haar dood in 1993 een intensief contact. Elke maandagavond kwam ze bij haar moeder op bezoek. Dan stond er steevast een schaal met witte boterhammen met brokkelkaas voor haar klaar. Maar een echt gesprek over haar vader hadden ze nooit. En of haar moeder nou bewust wegliep voor de waarheid? Ze heft haar handen, bijna wanhopig. „Ik weet het echt niet. Ik heb werkelijk geen idee of ze met een groot geheim in haar hoofd rondliep of dat de oorlog werkelijk was weggevaagd.”

Heb je als kind recht op de waarheid?

„Dat denk ik wel. Bovendien is de kans groot dat je er anders toch achterkomt. En dan is het helemaal pijnlijk. Ik kan er soms enorm spijt van hebben dat ik haar op dit vlak zo spaarde. Terwijl ik me elke keer voornam om er deze keer echt naar te vragen. Maar ja, hoe ging dat? Als ik haar op maandagavond bezocht had ze zich extra mooi aangekleed en stond ze stralend op me te wachten. Gezellig met alle schemerlampjes aan. ‘Fijn dat je er bent, kind. Ik heb me er zo op verheugd.’ Dan kwam ik na afloop thuis en vroeg Abel [Cahen, haar man. red.] : ‘En?’. ‘Nee, weer niet gedaan.’ Mijn moeder kon ook een gezicht opzetten waarbij ik dacht: ‘hier komt niks meer uit’. Heel erg naar binnen gekeerd.”

En wat ging er dan in die binnenwereld om?

„Wist ik het maar. Soms zag ik haar uit het raam staren en dacht ik: ‘denk je nu aan wat er gebeurd is, of aan iets anders?’”

In Je ziet mij nooit meer terug beschrijft Barend ook opvallend openhartig hoe ze zelf vier keer te maken kreeg met kanker: één keer in haar been, twee keer in haar borst en daarna nog een keer longkanker. „Ik heb het opgeschreven omdat ook dat heel erg bij mijn leven hoort. Ik heb meerdere keren gedacht: ‘goh, hier zou ik weleens aan dood kunnen gaan’. En toch ben ik nooit overvallen door een panische angst. Ik heb enorm geluk gehad; de laatste keer was er een nieuwe behandeling die toevallig bij mij aansloeg.”

Maar het gevoel van eenzaamheid was vaak wel immens. Zoals in die zomer toen ze een speciale bestraling moest ondergaan, die haar in isolement aan bed kluisterde. Vanuit haar ziekenhuiskamer zag ze hoe het leven buiten gewoon doorging. Ze zag hoe in het flatgebouw aan de overkant elke ochtend een oud echtpaar op de veranda koffie zat te drinken, aan een tafeltje met een rood Brabants bonten kleed. Gezellig samen in de zomerzon, niet beseffend dat hun geluk vanaf de overkant in diepe eenzaamheid werd gadeslagen, vanachter een loden deur. Het blijft een verdrietige herinnering voor haar. „Ze hebben die flats inmiddels afgebroken. Toen ze daarmee bezig waren dacht ik ogenblikkelijk weer aan die mensen en hun Brabants bonten kleedje.” De buitenwereld kreeg er maar weinig van mee. De meeste ziekteperiodes vielen net buiten het televisieseizoen. „We hebben maar één keer een seizoen overgeslagen.”

Het schrijven van het boek was een bijzondere gewaarwording, zegt ze, die in niets leek op het maken van een televisieprogramma. Het was in feite een wandeling door haar hele leven. Al bracht het opschrijven haar geen wezenlijke nieuwe gezichtspunten. „Behalve dat ik me realiseerde dat ik in totaal maar negen jaar thuis heb gewoond. De eerste jaren woonde ik bij mijn grootouders. Ik kwam pas bij mijn moeder, mijn stiefvader en mijn broers wonen toen ik zeven was. En op mijn zestiende ben ik alweer het huis uitgegaan. Dat is eigenlijk maar een heel korte jeugd.”

Liever niet over nadenken

De vragen omtrent haar vader zullen wel nooit meer beantwoord worden. Daar heeft ze zich inmiddels bij neergelegd. Ondanks de ongemakkelijke ongerijmdheden die zich in de loop der tijd aan haar hebben opgedrongen. Zo raakte haar moeder zwanger van haar oudste halfbroer toen David Barend de laatste maand van zijn leven doorbracht in Auschwitz. Zou ze daarna gehoopt hebben dat hij nooit meer terug zou komen? Of was ze zelfs opgelucht dat hij niet meer terugkeerde? Daar wil ze liever niet over nadenken. Datzelfde geldt voor de pijnlijke vraag of het verraad van haar vader misschien wel van heel dichtbij is gekomen. „Dat is echt nooit bij mij opgekomen. Mijn moeder kan het in elk geval zeker niet geweest zijn. Dat is ondenkbaar voor mij. En wat er wel gebeurd is… dat weet ik gewoon niet.” Toen haar moeder stierf, werd er in de kapel van het ziekenhuis een mis voor haar opgedragen. Ze had de priester nadrukkelijk gevraagd geen preek te houden. Tot haar verbijstering zei hij en plein public dat haar moeder hem kort voor haar dood ‘een groot geheim’ had verteld. „Ik ben naar hem toegegaan om te vragen wat dat geheim was. Heb hem uitgelegd dat het voor mij van levensbelang was het te weten. Maar nee, hij wilde niet zeggen wat. Ik was radeloos. Ik zal ermee moeten leven dat ik de waarheid nooit helemaal zal kennen.”

Eén ding weet ze zeker: het is goed dat het verhaal van haar vader nu vastgelegd is. Want het moest verteld worden. „Als ik lees dat leraren op de middelbare school niet meer durven te vertellen over de holocaust, en dat kinderen zelfs geen behoorlijke geschiedenisles meer krijgen, dan vind ik dat werkelijk ongehoord. Deze verhalen moeten steeds opnieuw verteld worden, juist in een wereld van Wilders en Trump. De langstlopende musical in Nederland is Soldaat van Oranje. Je hoort dat hele gezinnen erheen gaan. ‘Mooi jongen, hartstikke leuk. Zo’n spannend oorlogje zou ik ook wel willen meemaken.’ Die heroïek, dát is het verhaal van de oorlog geworden. Maar als je die vluchtelingen van nu ziet, in die kampen met hun blote voeten in de Turkse sneeuw, weet je dat oorlog mensen vooral diep traumatiseert en kapotmaakt. Dat heeft met heroïek helemaal niks te maken. En juist dat verhaal kan niet vaak genoeg verteld worden.”

Je ziet mij nooit meer terug verscheen deze week bij De Bezige Bij.