Column

Het parool is: verbeter EU, niet vernietig EU

‘Totaal totalitair”, noemde Geert Wilders de EU in zijn interview met BBC-man John Sweeney. Voor een keer zat de angst niet in de ogen van de interviewer, zoals wanneer de vaderlandse pers een quote bij de blonde leider mag ophalen, maar bij de in het nauw gedreven geïnterviewde. De Brit herinnerde Wilders eraan dat als je in China of Rusland kritiek uit op het regime, je dit met de dood kunt bekopen, „niet in Brussel, niet in Straatsburg”. Daarop nam de PVV-leider zijn toevlucht tot prietpraat: Europa is niet totalitair voor burgers maar voor lidstaten. Ook in het verleden dreven buitenlandse verslaggevers hem succesvol in de hoek. Kort na de Russische Krim-invasie in 2014 confronteerden twee reporters van Die Zeit Wilders met zijn uitspraak dat de pro-Europese demonstranten op het Maidanplan in Kiev „voor de helft fascisten” waren. Hij stotterde: „De helft, heb ik dat gezegd?” Eh, ja. Waarop de Duitse journalisten Wilders eraan herinnerden dat niet de EU de Oekraïense demonstranten had beschoten, maar het pro-Russische regime van Janoekovitsj. Thierry Baudet, lijsttrekker van zijn Forum voor Democratie, bezigde vergelijkbare taal, bijvoorbeeld door in 2012 in een NRC-column een „parallel” te ontwaren tussen Hitler, massamoordenaar en Jodenvernietiger, en de minzame Van Rompuy, toen voorzitter van de Europese Raad. Het zijn geen versprekingen. Wilders en Baudet – de een uit paranoia, de ander uit narcisme – zijn beiden zo overtuigd van hun eigen gelijk dat ze het Europese verbond waaraan Nederland zijn welvaart en het continent zijn stabiliteit ontleent, willen opblazen. Het messianisme van de vernietiging.

Tegen zulk duister heilsdenken is het voor de andere partijen lastig campagnevoeren. Met geradicaliseerde nationalisten kun je geen gesprek hebben over voor- en nadelen van EU-lidmaatschap, over repareren en sleutelen, wat wel en wat niet. Toch heeft Nederland dat debat nodig. Niet vernietigen, maar verbeteren moet het parool zijn. De middenpartijen hebben elk eigen ideeën – van een „groener, socialer en democratischer” Europa (GroenLinks) tot een Unie van „grensoverschrijdende kerntaken” en minder „bemoeizucht” (VVD). CDA-leider Buma was gisteren in het FD op de moppertoer: „EU gaat nog slechter dan ik dacht.” D66 weeft consistent een Europese dimensie door zijn plannen en spreekt zich expliciet uit tegen ‘Nexit’; jammer is dat de Democraten verleid blijven door Brusselse institutionele sjablonen: Pechtold wil meer macht voor het Europees Parlement en de Commissie. Zulk wensdenken oude stijl versterkt niet alleen de argwaan jegens Brussel, maar past ook niet meer bij de Europese vragen van onze tijd. Méér Europa anno 2017 betekent niet per se een federaal Europa, maar meer samendoen als club van landen. Aan grensbewaking, aan vluchtelingenopvang, aan geopolitiek. Zaken waarin het niet om regelen draait, maar om de organisatie van gezamenlijk handelingsvermogen. Dit vraagt een nieuw samenspel van nationale regeringen en Brusselse instellingen. De PvdA, beducht te pro-Europees te klinken, zit in de richting met de frase: „Het is geen tijd voor grote federalistische stappen of terugtrekken achter de dijken, maar voor daadkrachtig optreden.”

De Britse premier May heeft haast en wil de echtscheidingsprocedure met de andere 27 EU-landen starten. Toch zal ze het befaamde Artikel 50 waarschijnlijk pas op 15 of 16 maart inroepen, als bij ons de stembussen dicht zijn. Londen wil niet dat ‘Brexit’ in campagnetijd het idee van ‘Nexit’ een zet in de rug geeft. Dat is geen Britse beleefdheid maar eigenbelang. Zoals May laatst tegen een Amerikaans pro-Trump gehoor zei: het is ontzaglijk in het Britse belang, en dat van de wijdere wereld, dat de Europese Unie slaagt.

Luuk van Middelaar is politiek filosoof en hoogleraar Europees recht en EU-studies (Leiden, Louvain-la-Neuve). Deze column is wekelijks.