Wie maakten journalist Rudi Kagie tot wie hij is?

Het openhartige tweede deel van de memoires van deze journalist is vooral een persoonlijke zoektocht naar de mensen die in zijn leven deden wat ze deden.

Heitje voor een karweitje: welpen wassen de auto van de toenmalige Haarlemse burgemeester, 1952 Foto Spaarnestad/Hollandse Hoogte

Hoe word je journalist? Of, preciezer: wat voor soort mensen worden het? Rudie Kagie (1950), 45 jaar lang journalist, het grootste deel van die tijd bij Vrij Nederland, beschrijft het zo: ‘Ik ben de geboren buitenstaander. Ik doe niet mee, vanaf veilige afstand neem ik waar.’ Bij hem kwam er nog iets bij: ‘Ik wantrouw de wereld, ik geloof mensen uit mijn omgeving niet direct op hun woord, ik trek de intentie achter goede bedoelingen voortdurend in twijfel.’

Dat citaat staat al op de eerste pagina van Hopman, het tweede boek over zijn eigen jeugd. Eerder schreef hij Schuifkaas (2011), over de teloorgang van het huwelijk van zijn ouders, waardoor hij als tienjarig jongetje terechtkwam in een tehuis. Hopman gaat over hoe hij in de jaren daarna werd ontdekt, betast (‘Hij trekt me bij zich op schoot, slaat een arm om me heen, houdt me stevig vast’), geadopteerd en ook weer in de steek gelaten door ‘de hopman’, leider van een verkenningsgroep van padvinders, tevens hoofdredacteur van een lokaal krantje. Hij heeft, schrijft Kagie, ‘veel aan de hopman te danken, maar dankbaarheid is niet het eerste woord dat bij me opkomt als ik aan hem terugdenk.’

Wat dat woord dan wel moet zijn, daarover gaat in feite dit openhartige en aangrijpende boek: een journalistieke zoektocht naar waarom de mensen in zijn leven deden wat ze deden – en hem maakten tot wie hij is. Kagie nam er drie dozen met rapporten, verslagen en brieven uit zijn kinderbeschermingsverleden voor door. Ook vroeg hij inzage in de beschikking waarin aan zijn moeder de voogdij werd ontnomen (omdat ze zich prostitueerde, bleek daaruit). En hij bezocht de hopman, diens vrouw en kinderen, na hen dertig jaar niet meer te hebben gesproken.

Nadat zijn moeder is weggelopen, blijft Kagie achter bij zijn door obsessies geplaagde vader met acht kinderen. In het tehuis waar vier van hen worden geplaatst heerst tucht, Rudie overleeft er door zich vast te klampen aan zijn droom: journalist worden. In een zomervakantie, hij is twaalf en logeert net als alle kinderen uit het tehuis twee weken bij een boerengezin in het noorden, vindt hij zijn redder: op een dag loopt hij naar binnen bij de kantoorboekhandel waar ook het plaatselijke krantje wordt gemaakt. ‘Mag ik de hoofdredacteur spreken?’

Doodsbang is hij om ook zelf een mislukte vader te worden

Die hoofdredacteur, de hopman (in het boek een pseudoniem), is zoals een contactadvertentie meldde: ‘journalist, 37 jaar, actief in het jeugdwerk, geïnteresseerd in sterrenkunde, literatuur en geschiedenis.’ En in Rudie. Speciaal voor hem is deze contactadvertentie opgesteld: de hopman wil trouwen, om hem te kunnen adopteren. Tegen die tijd is hun onderlinge band al bijzonder sterk geworden: de hopman neemt, als enige lijkt het, hem en zijn ambitie serieus, zorgt dat hij op de mulo komt, laat hem logeren bij hem thuis. ‘Deze man, mijn vriend, mijn toekomstige pleegvader – als hij denkt dat hij een tongzoen van me heeft verdiend, dan laat ik hem begaan.’

Het tehuis heeft argwaan, er komt zelfs een onderzoek naar mogelijke homofilie, maar het wantrouwen is niet groot genoeg. En trouwens: de hopman trouwt inderdaad, en neemt Rudie in huis, zoals beloofd. Maar zijn vrouw wil niks van het kind weten, ze stelt de ene na de andere strafmaat in: geen kranten meer lezen, niet douchen (‘Moeder ergert zich aan de spetters op de wandtegels’), huiswerk in de huiskamer maken, onder toezicht. En de hopman? ‘Vader schijnt zich van de mooie beloften die hij me deed niets meer te herinneren.’ Wanneer ‘Vader’ en ‘Moeder’ hun tweede baby verwachten, zoeken ze een ander pleeggezin voor Rudie. Later verbreekt hij alle contact. Wanneer hij zelf een kind krijgt, ontvlucht hij het huis: doodsbang om ook een mislukte vader te worden. Hij keert vijf jaar later terug, de band met zijn zoon is goed.

Zijn jeugd zet Kagie achteraf neer als: ‘Onderhand doorzie ik hun drijfveren, hun onmacht, hun schaamte en hun angsten. Ik zou willen dat ik dat inzicht had gehad toen ik nog onder hun hoede viel.’ Begrip dus, als afsluiting van een journalistieke, maar vooral persoonlijke zoektocht. En de hopman? Het woord pedofiel komt in het boek niet voor.

Uit Hopman: ‘Nee, ik ben nooit seksueel misbruikt. Wel als kind een paar keer in de steek gelaten. Telt dat ook?’