Cultuur

Interview

Interview

Marja Pruis foto: Frank Ruiter

‘Vrouwen zijn bouwers, geen slopers’

Streng was ze: mogen schrijven over zichzelf moest ze eerst verdienen. Journalist Marja Pruis schreef een boek over schaamte. „Ik denk snel dat alles groot en moeilijk is.”

Schrijver is ze, geen prater. De verhalen van Marja Pruis maken je aan het lachen (hoe ze voor een televisieoptreden dagen bezig is met beslissen wat ze aan moet trekken), en aan het huilen (hoe haar moeder ook haar jas aantrekt en niet begrijpt dat zíj moet blijven, in dat verpleeghuis).

IJdelheid is een thema in haar nieuwe essayboek, Genoeg nu over mij. En zelfhaat. Verlegenheid. Narcisme. Schaamte. Haar woorden zijn pijnlijk of diepzinnig of platvloers, maar altijd met zorg gekozen. Je denkt nooit: die vrouw doet maar wat. Hier is grondig nagedacht. Je begrijpt waarom ze onlangs de J.L. Heldring Prijs voor haar columns in De Groene Amsterdammer heeft gekregen. Ze is daar redacteur en literair recensent.

Maar zit je tegenover haar in de lunchroom van boekhandel Scheltema in Amsterdam, dan krijg je dus heel veel „ehm” en „misschien” en „aan de ene kant”, gevolgd door de andere kant. Roerend in haar pastinaaksoep, blik naar beneden: „Het lastige aan een interview vind ik het gebrek aan precisie waarmee ik praat. Denken dat ik de stiltes moet opvullen en dan dingen zeggen die ik niet wil zeggen.”

In het hoofdstuk ‘Hoe te schrijven over jezelf’ vertelt ze over een meisje in de trein dat net geslaagd is voor haar eindexamen en daarover luidkeels zit te telefoneren. Tegen iedereen die ze belt, schreeuwt ze dat ze het tegen niemand mogen zeggen, het moet een verrassing blijven.

En dan schrijft Marja Pruis: „Het was obsceen, niet te tolereren, het was grotesk. Het kwam in de buurt van mijn literaire program, van wat ik wil op papier. De hele wereld ongevraagd penetreren met iets wat niet doorverteld mag worden.” En dan maar hopen dat de wereld dat toch interessant vindt? „Ja.”

Kunnen schrijven, heerser zijn over je eigen universum, was voor haar als meisje een magische uitvinding. „Het had ook iets dubbelzinnigs, alsof het eigenlijk verboden was.” Dus verborg ze haar schriften in een nis onderaan de trap, en later tussen haar ondergoed in de kast.

Toen schrijven haar broodwinning werd, bleef ze zichzelf ook het liefst verbergen. Als ze hard genoeg werkte, zou ze dat schrijven over ‘ik’ uiteindelijk wel kunnen verdienen. Tot die tijd moest ze zich in de oude Grieken verdiepen en bejaarden naar het toilet helpen, en minstens zes jaar lang geen enkel ‘ik’ in haar stukken gebruiken.

Waarom zo streng? Na een lang ehm: „Als kind was ik heel stil. In mijn puberteit en tijdens mijn studie werd het extreem. Als ik bij de eerste bijeenkomst van een nieuwe werkgroep niets gezegd had, dacht ik: dan zeg ik het komende halfjaar ook maar niets meer. Hyperbewust van mezelf.” En ondertussen wel over alles en iedereen oordelen? „Ja, heel irritant. Mijn zuster zegt: je bent gewoon chagrijnig.”

Waarmee ze nog niet heeft verteld waar dat strenge ik vandaan komt. „Met mijn achtergrond lag niet voor de hand dat ik zou gaan doen wat ik nu doe. Mijn vader was een selfmade man, hij had zich opgewerkt tot procuratiehouder bij de bank. Mijn moeder is na de lagere school gaan werken op een naaiatelier. Het waren ingetogen mensen, altijd bereid zich aan te passen. Niet degenen die in gezelschap het woord namen en moppen tapten.”

Nu is ze zo ver dat ze van zichzelf ‘ik’ mag schrijven in haar boeken. „Maar ik heb de controle over wat ik wel en niet van mezelf laat zien.” In een tijd waarin iedereen over zichzelf lijkt te schrijven. „En alles op elkaar gaat lijken. Ziekte, dood, liefde, help ik ben zwanger, wat doe ik met mijn oude vader, laat ik hem bij me in de tuin wonen of niet? Ik merk dat ik ben uitgekeken op al die verhalen. Ik hoef in elk geval niets meer te lezen over ouders met alzheimer.” Omdat het banaal is geworden? „Omdat ik het achter me heb gelaten. Mijn moeder is vorig jaar overleden.” Ze had alzheimer en ze schrijft over haar. „Maar anders, hoop ik. Reflecterender. Nou ja, weet ik het. Ik schreef ook over mijn moeder toen ze nog niet ziek was. Ze maakt deel van mij uit. Op het moment dat ze veel zieker werd, en overleed, heb ik geen woord meer over haar geschreven. Niet alles hoeft als een verhaaltje aan iedereen te worden opgedist.”

Mien-weet-raad en mens & gevoel

Haar essays en columns gaan niet over economie, niet over het Midden-Oosten, niet over globalisering, niet over Zwarte Piet. Haar belangstelling voor meer literaire onderwerpen gecombineerd met ‘ik’, schrijft ze, is vragen om problemen. „Je wordt zomaar afgeserveerd richting mien-weet-raad en mens & gevoel.”

Over feminisme schrijft ze wel en in haar boek speelt ze met de gedachte dat er een einde begint te komen aan het tijdperk van de mannelijke overheersing. Hoe serieus is ze? „Vrouwen blijken op veel gebieden beter dan gedacht”, zegt ze. „Op scholen en universiteiten scoren meisjes zoveel hoger dan jongens, ik denk dat ze daar zelf steeds meer achterkomen en dat ook mannen daaraan beginnen te wennen.” Volgt de relativering: „Dit is trouwens typisch zo’n brede gedachtegang die ik alleen als achtergrondmateriaal gebruik. Mij gaat het altijd om wat ik zelf denk als ik de krant opsla en opeens twee vrouwelijke ministers van Defensie samen op de foto zie.”

Ze haalt met instemming het onderzoek van gedragsbioloog Melvin Konner aan. „Alles waarvan Simone de Beauvoir nog dacht dat het in het nadeel van vrouwen uitpakte, keert hij om tot een voordeel, dat trof me. In alle culturen en overal op de wereld zijn vrouwen praktisch en zorgzaam, coöperatief en competitief. Ze kunnen hun ego opzij zetten en mensen aansturen zonder ze in de verdediging te jagen. Ze zijn eerder bouwers dan slopers. Oorlog, verkrachting, marteling, armoede, uitputting van openbare fondsen – het zou zomaar allemaal het resultaat kunnen zijn van mannelijke emoties die vrij baan hebben, niet genoeg worden beteugeld.”

Krijgen we een betere wereld als vrouwen de macht overnemen? „Zolang je niet weet hoe vrouwen het zouden doen, kun je denken dat ze het beter zouden doen. Ondertussen zie je ook dat vrouwen goed voor zichzelf kunnen laten zorgen, zich van alles laten aanleunen en zich in veel dingen nooit hebben bekwaamd. De weg opbreken, een metrolijn aanleggen, nieuwe werelden ontdekken – dat doen mannen.”

En vrouwen oordelen meer over elkaar, zegt ze. In haar boek beschrijft ze hoe ze naar een vrouw kijkt die voor haar uit is gerend om de trein te halen: „Haar jas net iets korter dan haar rok, kniekousen over haar panty. Japanse schoolmeisjeslook. Dan denk ik: wat zág ze toen ze vanochtend voor de spiegel stond? Waar is ze op uit? In ieder geval wacht de conducteur nog even tot ze is ingestapt.” Maar is het niet vooral een Marja Pruis die zo oordeelt? Ze lacht. „Ja, vooral omdat ik erachter aanren op mijn hakken en in mijn kokerrok. Mijn collega zegt wel eens dat elke anekdote ermee begint dat ik in extenso het uiterlijk van vrouwen beschrijf. Ik ben altijd nieuwsgierig naar hoe zij zichzelf in de wereld zetten. Hoe ze er goed uit proberen te zien en toch ook handelingsbekwaam. De uiterlijke verschijning is voor vrouwen een dagelijks terugkerend dilemma: wat verhul ik, wat laat ik zien. Ik raak niet uitgekeken op de oplossingen die vrouwen vinden voor die constante frictie.”

Een meisje met een blocnote

De ondertitel van haar boek, Confessies van een ervaren schamer, heeft ze ontleend aan de beroemde psychiater en psychoanalyticus Louis Tas, die in 2011 is overleden. Hij was een van de eersten die het leed van mensen die de concentratiekampen hadden overleefd aan de orde stelden. Lang geleden interviewde ze hem en in het hoofdstuk ‘De ervaren schamer. Over je verstoppen en toch gezien worden’ vertelt ze hoe ze het idee had dat hij haar onmiddellijk ontmaskerde als het meisje dat haar best zat te doen, met haar blocnote en haar opnameapparatuur. Ze wist dat hij in Bergen-Belsen had gezeten, maar ze durfde hem er niet naar te vragen. En hij bleef maar doorgaan over de Eerste Wereldoorlog, díé was het summum van waanzin geweest. Het duurde uren voordat hij vertelde waarom hij geen recht van spreken meende te hebben. „Zoveel mensen hadden de kampen niet overleefd”, zegt ze. „Hij wilde niet de prinses op de erwt lijken.” Zijn boek over Bergen-Belsen was ook nog eens afgewezen. „De uitgever schreef hem dat er ergere kampen waren geweest. En dat het aankwam op de manier waaróp iets geschreven was.”

Ze is nog een keer bij het schaamteclubje geweest, bij Louis Tas in de praktijkruimte. Schaamteclubje? „Een leesclubje. Iki Freud [psychoanalytica] zat erbij, Tijs Goldschmidt [evolutiebioloog], Andries van Dantzig [psychiater], en ik vergeet nog iemand. Schaamte was het thema.”

Wat is schaamte? „Volgens Louis Tas gebrek aan empathie met jezelf. Voor mij: dat een ander naar je kijkt en dat je je daarvan bewust bent. Wat ziet die ander? Nogal narcistisch, ja. Alsof het allemaal om jou draait.”

Wat deden jullie in dat clubje? „Iedereen gaf om de beurt een lezinkje, om elkaar bij te spijkeren.” En ze leerde? „Dat ik me niet geïntimideerd hoefde te voelen. Alles werd tot menselijk niveau teruggebracht. Iedereen vertelde over zijn eigen leven, geen zware dingen. Ik had er tegenop gezien, het was iets magisch voor me, dat zo’n club bestond. Ik denk sowieso snel dat alles groot en moeilijk is, en dit was een van de ervaringen die me verder brachten, ik kon er zomaar deel van uitmaken. Niet alles is onbereikbaar.”