De Britten sprongen radicaal in de bres voor Unilever

Industriepolitiek

Theresa May schuwt stevig overheidsingrijpen in het bedrijfsleven niet. Unilever blijkt belangrijk voor de Britse politiek.

De Marmite-fabriek in het Engelse Burton upon Trent. Het broodbelegmerk van Unilever is onderdeel van het industriële verleden. Foto Darren Staples/Reuters

Tijdens alle heisa rond Unilever worden snel en veel details geopenbaard. De Financial Times onthulde wat Unilever-topman Paul Polman at toen hij het overnameplan gepresenteerd kreeg. Een broodje. Meerdere analisten rapporteerden dat de overname van Unilever door het kleinere Kraft Heinz ter waarde van 143 miljard dollar (136 miljard euro) de op een na grootste ooit zou zijn. Alleen de deal van 202 miljard dollar waarmee Vodafone in 1999 Mannesmann inlijfde was groter. Eén feit duikt in het Britse debat nauwelijks op: dat Unilever ook Nederlands is.

Er wordt gedaan alsof het levensmiddelenbedrijf geen hoofdkantoor heeft aan het Rotterdamse Weena, alsof de Margarine-Unie niet de helft van het fusiebedrijf (1929) vormde. Unilever is Brits en moet Brits blijven, klonk het sentiment. Dat vond ook premier Theresa May, die duidelijk maakte dat zij een overname niet zag zitten. In tegenstelling tot voorgangers en vrije-marktdenkers Blair en Cameron schuwt May stevige overheidsinmenging in het bedrijfsleven niet.

Actief industriebeleid

De wens om een actief industriebeleid te voeren was een kernpunt van de toespraak die May vorig jaar juli hield in Birmingham. Die rede in de Engelse industriestad was het begin van haar campagne om leider van de Conservatieven en premier te worden in de chaos na het Brexit-referendum. Toen al interpreteerde May de Brexit als een uiting van Engelsen om controle terug te krijgen, over immigratiebeleid maar ook over economische aangelegenheden. „Er moet iets radicaals gebeuren”, zei May. De overheid moet kunnen ingrijpen als buitenlandse partijen Engelse bedrijven kopen en duidelijk is dat ze fabrieken zullen sluiten en personeel ontslaan.

Lees ook het achtergrond stuk voorafgaand aan de speech:
Theresa May en de verdeelde Britten

May haalde het voorbeeld aan van chocolademaker Cadbury, niet toevallig afkomstig uit Birmingham, dat in 2010 gekocht werd door Kraft voor 11,5 miljard pond (13,6 miljard euro). In de overnamegesprekken beloofden de Amerikanen de chocoladefabriek Somerdale bij Bristol open te houden. Toen Cadbury in Amerikaanse handen viel, moest de fabriek toch dicht. 400 banen verdwenen. De chocoladerepen waar Britten mee opgroeien, werden voortaan in Polen gemaakt.

Unilever, met ruim 7.000 werknemers in het Verenigd Koninkrijk, is een belangrijk bedrijf voor de Britse politiek, bleek uit de consternatie over het overnamebod. Unilever-iconen als Marmite, Colman’s Mustard en PG Tips zijn onderdeel van het industriele verleden. Als een hofleverancier van Britse patenten (met drie onderzoekscentra in het land) staat Unilever voor de toekomst van de Britse economie.

Dat het bedrijf door de daling van het pond na de Brexit-stem van 23 juni, goedkoper en daarmee interessant is geworden voor de overnamekoningen Warren Buffett en het Braziliaanse investeringsfonds 3G is daarom voor velen onverteerbaar.

Uit de reconstructie van de Financial Times blijkt dat de Britse minister voor Economische Zaken Greg Clark de opdracht kreeg om contact te zoeken met zowel Unilever als Alexandre Behring, partner bij 3G en voorzitter van de commissarissen van Kraft. De houding van de Britse regering zou hebben bijgedragen aan het besluit van Buffett en 3G om geen vijandige overname van Unilever te wagen.

Wel een Chinese kerncentrale

Voor zowel Unilever als May zal de aftocht van Kraft een opluchting zijn. Unilever is kennelijk geschrokken van de overnamepoging en de constatering van Kraft dat de winstgevendheid bij het Brits-Nederlandse bedrijf achterblijft. Woensdag kondigde Unilever aan te onderzoeken of het mogelijk is op korte termijn aandeelhouders tevreden te stellen door ze meer waarde te bieden. Wellicht onderzoekt Unilever of de divisie die broodbeleg (Marmite, Becel) maakt gauw verkocht kan worden.

May zal de pressie achter de schermen zien als een succes. Toch blijft het industriebeleid een evenwichtsoefening. May wil controle, maar ook dat de buitenlandse investeringen in aanloop naar Brexit op peil blijven.

In september maakte ze bekend het besluit van voorganger Cameron om toestemming te geven voor de bouw van een Frans-Chinese kerncentrale bij Hinkley Point te herzien. Een cruciale dienst als elektriciteitsopwekking moet niet zomaar uit handen gegeven worden, klonk de redenering. Uiteindelijk stemde May toch in: liever een buitenlandse kerncentrale dan het licht op zwart en een diplomatieke rel met Frankrijk en China. Wel stelde May extra eisen om te zorgen dat de overheid meer mogelijkheden heeft om in te grijpen.

Op andere fronten heeft May moeten inbinden in haar belofte economische verhoudingen beter in balans te brengen. Haar plan om werknemerscommissarissen bij bedrijven aan te stellen verdween. Haar uithaal tegen graaien in het bedrijfsleven op het partijcongres in oktober kreeg geen gevolg. Het industriebeleid van May vertaalt zich vooral in het bedienen van buitenlandse bedrijven.

May gaf Nissan de garantie dat de Japanse automaker hoe dan ook niet zal lijden onder de Brexit. Die verregaande toezegging was genoeg om Nissan ook na de Brexit in Sunderland te houden. Tegelijkertijd lobbyt May bij Carlos Tavares, de topman van PSA Peugeot Citroën, die de Europese divisies van Opel wil overnemen. Deze week zou May praten met Tavares, die bekendstaat als een kordate saneerder. May schuwt niet om op te komen voor de belangen van de 35.000 medewerkers van Vauxhall. Analisten denken dat May bereid is dezelfde deal te bieden als Nissan: alles om banen te behouden en het imago te bewaren dat de Brexit een succes kan zijn.