Column

Overspel als tegengif

Weinig schrijvers hebben zo vaak en zo indringend over overspel geschreven als John Updike. Het is een terugkerend thema in zijn verhalen en romans, zoals in Een huwelijk in afleveringen, Paren, Trouw met mij en de Rabbit-cyclus. Al tijdens zijn leven werd duidelijk dat Updike zijn eigen ervaringen op dit gebied als materiaal gebruikt had. Zijn biograaf, Adam Begley, zocht er na Updikes dood in 2009 de namen en omstandigheden bij.

Ik verwachtte niet nog iets nieuws over hem te zullen lezen en ben dan ook aangenaam verrast door het boek Het uur van het violet van de Amerikaanse essayiste Katie Roiphe. Zij beschrijft daarin de omgang met de dood door zes grote schrijvers: naast Updike Susan Sontag, Sigmund Freud, Dylan Thomas, Maurice Sendak en James Salter.

Roiphe kon iets toevoegen aan de biografie van Begley doordat zij, in tegenstelling tot hem, de medewerking kreeg van Martha, Updike’s tweede vrouw. Misschien had Martha spijt gekregen van haar eerdere weigering en vond ze nu dat het boek van Begley aanvulling behoefde.

Wat heeft de dood met overspel te maken? De vraag ligt voor de hand – en wordt door Roiphe in haar hoofdstuk over Updike met citaten uit zijn werk overtuigend beantwoord. Updike schrijft over overspel als tegengif voor de dood, constateert Roiphe. „In zijn fictie verkrijgt men onsterfelijkheid door middel van seksuele escapades.”

Ze licht het toe met dit citaat uit de roman Trouw met mij: „Zijn gehijg door de inspanning om tegen de heuvel op te rennen verrukte hem… zijn hernieuwde versie van het leven. Sinds hun affaire was begonnen, was hij altijd aan het rennen, aan het haasten, tijd aan het winnen waar voorheen geen tijd nodig was geweest; hij was een atleet van de klok geworden, die de uurtjes tot een ongekend en onverwacht tweede leven opwekte.”

Het dubbelleven was geen last voor hem, maar een lust die hem zijn leven intenser deed ondergaan. Het was alsof hij dankzij het overspel een gooi kon doen naar het eeuwige leven. Het klinkt raar, geeft Roiphe toe, maar ze vindt dat er wel degelijk een zekere logica in schuilt: „Als je een geheim te bewaren hebt, een verborgen tweede leven, dan heb je op de een of andere manier de kaders van het enige, enkele leven overschreden en getrotseerd. Je hebt je nog niet gesetteld, je bent nog niet afgeschreven. Je begint opnieuw.” Dankzij het overspel oversteeg hij zijn angst voor de dood. Gelukkig zijn, gesetteld zijn, was voor hem de dood.

Of, zoals hij elders schreef: „Vreemdgaan = springlevend zijn.”

Jaja, zal menige bedrogene in het spel dat overspel heet, nu denken, maar was Updike niet bezig een fraai literair alibi te verzinnen voor zijn overspel, zodat zijn geweten wat minder akelig zou knagen?

Dat is goed mogelijk, maar het neemt niet weg dat zijn overspeligheid hem inderdaad levenslust en energie gaf – hij schreef in die periode zijn beste boeken in een ware explosie van creativiteit. Bovendien, moet ik er à decharge aan toevoegen, was het overspel in zijn eerste huwelijk wederzijds: zijn vrouw Mary begon er zelfs eerder mee dan hij.

Ja, zo ging dat in de jaren zeventig. Daarna is het overspel afgeschaft – het gebeurt nu alleen nog maar in romans.