Column

Laat de polonaise niet verloren gaan

schrijft elke vrijdag over de taal van deze week. Vandaag: polonaise.

Carnaval staat voor de deur, zaterdag barst alles weer los, dus mijn woord van de week is ‘polonaise’. Ook omdat hij uitsterft, las ik althans in de Volkskrant. Steeds minder mensen doen eraan. Carnaval is sowieso op zijn retour, stond er ook. Tien jaar geleden vierde nog 75 procent van de Limburgers carnaval, nu is dat volgens dagblad De Limburger nog maar 49 procent. 49 procent! Dat is hetzelfde als wanneer nog maar 49 procent van de Friezen warm zou lopen voor de Elfstedentocht. Een ramp van nationale proporties dus.

Ik vroeg me af: waar komt het door? Zou het aan het woord liggen, polonaise? Dat we klaar zijn met Franse woorden in het Nederlands? Ik hoop het niet. Want dan moeten we binnenkort ook afscheid nemen van de paraplu, van malaise, mayonaise, hachee en filet americain.

Dan kan ik dat rendez-vous met Thierry Baudet in zijn pied-à-terre ook wel vergeten! En jus, vergeet ik de jus bijna!

De jus bij de Hollandse stamppot.

Maar het kan ook komen door de uitdrukking ‘aan mijn lijf geen polonaise’. Want de polonaise was ook een heel strak kledingstuk uit de 18de eeuw, las ik in een artikel van het Genootschap Onze Taal. Zo’n strakke jas die niemand aan wilde, en het kan zijn dat we dat gevoel in de 21ste eeuw eindelijk durven af te werpen.

Het kan ook dat het gewoon te veel moeite is geworden, zo’n polonaise. Niet alleen om hem uit te spreken of aan te trekken, maar ook omdat het een heel gedoe is voordat je er één op de rit hebt. Je moet er de stoelen voor aan de kant schuiven, er een heel feestje voor bouwen. Wie heeft daar nog tijd voor?

Het past natuurlijk in een veel bredere trend, dat we niet meer weglopen met de polonaise. We sporten ook steeds vaker in ons eentje in plaats van met zijn allen op een veld; steeds minder jongeren gaan naar de kerk, ze zitten liever alleen achter hun Facebook. Ook op kantoor werken steeds meer collega’s met koptelefoons op. We sluiten ons voor elkaar af. De polonaise is een solonaise geworden.

Ik vind dat een zorgelijke ontwikkeling. Want ik ben fan van de polonaise. Sterker nog, ik denk dat de wereld niet zonder kan. Het is juist goed dat polonaise een Frans woord is, want de polonaise is groter dan Nederland. De polonaise brengt mensen bij elkaar. Juist nu, in een tijd waarin iedereen als een kip zonder kop door elkaar rent, kan de polonaise een moment van structuur zijn, van richting en verbroedering, een oase van verbondenheid. En iedereen kan meedoen.

Want je hoeft er niet voor te kunnen dansen, je hoeft niet te praten, liever niet zelfs, je maakt even een ommetje – ideaal in een tijd dat we veel te veel op onze luie reet zitten – zonder dat het meteen weer ergens naartoe hoeft te gaan.

Ik zou daarom zeggen: wie pakt het initiatief en krijgt de hele wereld achter zich aan in een ware polonaise globalaise? Een polonaise die over grenzen gaat, door voetbalkantines, over slagvelden, stranden en meubelboulevards, door zeetroggen, over bergketens en oceanen – een polonaise die de tijdgeest verplettert. Kom op nou jongens.

Heel even maar, alle neuzen dezelfde kant op.