Recht & Onrecht

Korpschefs moeten in het debat gehoord kunnen worden

Politiechefs zijn uit het publieke domein verdwenen als deelnemers aan de discussie over criminaliteit, veiligheid en openbare orde. Het is tijd dat ze terugkomen, schrijft Piet van Reenen in de Politiecolumn.

“Een illusie”, zo noemde Leggeri, hoofd van Frontex (het Europese grensagentschap) het plan van de Europese regeringsleiders om  de stroom boot-migranten vanuit Noord Afrika in te dammen. Hij deed dat in Brussel bij de presentatie van de Frontex risicoanalyse voor 2017.

De uitkomst valt rauw op de maag: van de voornemens van de regeringsleiders  bijeen in Malta valt niet veel te verwachten. Het onvermogen  om dat probleem aan te pakken is een van de belangrijkste oorzaken van de ruk naar rechts en de groei van extreem rechts in Europese landen. Cijfers en ervaring vanuit de uitvoering en de handhaving werken ontnuchterend op illusiepolitiek.

Niet meer denkbaar

Veel, te veel beloven is altijd een  verleiding voor politici. In ons land is de doorrekeningsoperatie van verkiezingsprogramma’s door het CPB een eerste dammetje tegen dat gevaar.  Politieke controle via  oppositie en “Woensdag gehaktdag” is een tweede.   Waarschuwingen van Nederlandse Leggeri’s  gebaseerd of cijfers en ervaring zou een derde kunnen zijn. Maar wat Leggeri deed,  is in Nederland niet goed meer denkbaar. De korpschef van de nationale politie en de inspecteurs-generaal van de verschillende landelijke inspectiediensten zitten op een schat aan expertise, gegevens  en praktijkervaringen over de realiseerbaarheid van beleid. Maar die informatie dringt vaak niet of maar slecht door tot de toppen van de departementen en tot de Tweede Kamer.  Korpschef en ig’s  worden niet geacht zich in het openbaar uit te laten over voorgenomen overheidsbeleid. Dus hun expertise wordt in het publieke debat gemist.

Zelfcensuur

Na de korpschefs uit de jaren negentig, Nordholt, Hessing  en in mindere  mate Brand,  die zich in soms forse bewoordingen uitlieten over overheidsbeleid, volgde de oorverdovende stilte van de nieuwe generatie korpschefs. Dat was zowel het gevolg van zelfcensuur van de korpschefs als van druk vanuit het bestuur, dat heel ongelukkig was met de toenmalige winnaars van de Machiavelliprijs; een compliment by the way. Politiechefs verdwenen uit het publieke debat en voorzitters van politievakbonden vulden het gat. Ook in de aanloop naar  de nationale politie mocht de “beoogde” korpschef  niet over de reorganisatie of over de politie in de publiciteit treden.

Dat was voorbehouden aan de minister. Pas na de start van de nationale politie mocht hij, maar heel beperkt, een publiek profieltje opbouwen, nog immer onder sterke regie van de minister en het ministerie. Die was nu immers de politiek verantwoordelijk geworden voor de politie.  De korpschef bleef in de schaduw. De schrik van de publieke ruwheid van korpschefs uit de jaren negentig in combinatie met de nieuwe politieke verantwoordelijkheid van de minister voor de politie belemmerden de ontwikkeling van een breder bestuurlijk profiel voor de korpschef van de nationale politie.

Branden aan lauw water

Toch is zo’n publiek profiel  nodig. Hij is ook mogelijk. Wanneer Leggeri in een politiek zo gecompliceerde omgeving als die van de EU en op een onderwerp als migratie ruimte heeft om een constructieve bijdrage te leveren aan de bouw van een effectief beleid, dan is de terughoudendheid  in Nederland vooral angst om je te branden aan lauwwarm water. Bovendien blijkt in ieder geval de afgelopen jaren het politieke rumoer rondom politie en rechtshandhaving van de minister en niet van politiechefs te komen.

Een publiek profiel is ook voor de Inspecteurs-generaal van de inspectiediensten nodig. Daar is ook wel  over gepraat. “Eigenstandig” zou die  positie moeten zijn, wel onder de politieke verantwoordelijkheid van de minister maar tegelijkertijd met een eigen professionele vrijheid. Eerder had de WRR  zelfs gesproken van “onpartijdigheid” die de onafhankelijke rol van de inspecties waarborgt. De eigenstandigheid komt tot uitdrukking in relatie tot de politiek , het ministerie  en de media.  “Het vertrekpunt ligt ook hier in de empirie en niet in de ‘standpunten’, van politieke of ethische aard. De inspecteur generaal kenmerkt zich in zijn openbare uitingen door een eigen idioom dat aan de maatschappelijke waarden die in het geding zijn een centrale rol toekent”.

Er is ruimte voor “eigenstandigheid” en voor wat ik een bestuurlijke invulling noem van het korpschefschap en het ig-schap. Die ruimte kan al doende worden verkend door hem in de praktijk voorzichtig te verkennen en al doende te zien  wat de gevolgen zijn en welke de grenzen. Een spel tussen minister en korpschef of i.g’s .  Een  meer formele benadering is  vervat in het voorstel voor een statuut waarin taken, vrijheden  en beperkingen  zijn vastgelegd.

Vervormd

Naast ruimte is er ook wenselijkheid: de expertise vanuit politie en inspecties vormt een bijdrage aan de  politieke en bestuurlijke discussie over oplossingen voor maatschappelijke problemen. De professionele stem van diensten als de politie en de inspecties komt vaak vervormd en soms niet of nauwelijks door via hun ministeries en gaat dan in de discussie verloren. Het is goed dat de korpschef bijvoorbeeld publiekelijk meldt wat wat hem betreft de gevolgen zijn van de regulering van wietteelt. Naast ruimte en wenselijkheid is er een derde  argument, dat komt uit onverwachte hoek. Het vertrouwen in de politie in de peilingen is al jaren veel hoger dan dat in de politiek. Bestuurlijk politieleiderschap kan het vertrouwen in de politiek te stade komen. Wie had dat gedacht.

De Politiecolumn wordt wekelijks geschreven door deskundigen uit de wereld van politie en wetenschap. Piet van Reenen was politieman, onderzoeker, directeur van de Politieacademie en hoogleraar Politie en Mensenrechten.