Recensie

Oosterhoff tussen het exuberante en minimale

In de nieuwe bundel van P.C. Hooftprijswinnaar Tonnus Oosterhoff staan geen gewone verhalen. Hij overlaadt de lezer met informatie en laat ons hard op zijn volgende regel botsen.

Tonnus Oosterhoff Foto Ellen Karelse

Weerbarstig is de poëzie van Tonnus Oosterhoff al sinds zijn debuut Boerentijger (1990). Nog steeds vangt hij verschillende winden tegelijk in zijn zeilen en drijft hij af richting onbekend gebied. Ja Nee is de eerste poëziebundel sinds Oosterhoff (1953) in 2012 de P.C. Hooftprijs toegekend kreeg. Wederom is er genoeg anekdotiek die aan het begin van elke nieuwe regel een andere wending neemt:

Vroeger, in dienst, hebben zekere stropers
de truc geleerd om ’s nachts, in het donker,
een areaal te doen krimpen
tot de afmetingen van een weitas.

Oosterhoff heeft geen gewoon verhaal te vertellen. Nu eens blijft de afloop achterwege, dan weer knalt hij er flarden dialoog in die op het eerste gezicht kant noch wal raken. Altijd weet Oosterhoff de aandacht te vestigen op hoe (de taal van) de vertelling de werkelijkheid kneedt. Het vanzelfsprekende wordt vreemd, of het vreemde juist eigen: ‘Staar heeft de kijker, de denker loopt over./ Ik meende dat het aan mijn gehoor lag, maar dit bleek heel goed:/ de test wees uit dat ik mensen aan de andere kant van de wereld verstond.’

Ja Nee is zodoende in veel opzichten een logische voortzetting van wat hij begin jaren negentig startte. Zijn beproefde stijl en manier van werken worden zo enigszins voorspelbaar. Gelukkig is een handvol gedichten aan het einde van de bundel spannend en speels genoeg om de aandacht erbij te houden en zelfs hoopvol te zijn over het werk van Oosterhoff: wat hij doet, is geen truc.

Het minimale

Die gedichten liggen namelijk in het verlengde van de roman die tussen Oosterhoffs laureaat en deze bundel verscheen. In Op de rok van het universum onderzoekt Oosterhoff tot in het exuberante wat hij in zijn poëzie terugsnoeit tot het minimale. In plaats van cruciale elementen weg te nemen overlaadt Oosterhoff deze gedichten, net als de roman, met informatie:

Wie een rad voelt weet: er is meer, anders was hier geen rand
Patiënt slikte codes in, nu moeten de dokters wel zoeken
Solidair zijn kan alleen wie het lot van de ander niet kent
Stervensduur is de medicatie. Van de markt kom je niet af
UW CREATIEVE VERSPARTNERUW PARTNER IN TOEGANGSOPLOSSINGEN
Samen ondergaan we het wonder van niet eerder vertrapt worden

In dit gedicht dat tweeënhalve pagina lang is, worden de zinnen niet uitgesmeerd over diverse regels, maar begint met elke regel een nieuwe zin. Het effect daarvan is dat we niet met wankelende hinkstapsprongen door het gedicht gaan, maar aan het eind van elke regel frontaal op de volgende botsen. Dat komt doordat in elke zin een andere toon en functie zit. De eerste regel is enigszins filosofisch, de derde aforistisch en de vijfde sloganesk. Hier wordt de invloed van de dichter Jeroen Mettes (1978-2006) duidelijk met wie Oosterhoff zich afgelopen tijd en in zijn roman beziggehouden heeft. Mettes zette op eenzelfde wijze zinnen van diverse komaf achtereen en genereerde ook vibrerende contrasten.

Naar het slot van de bundel is het taal- en vertelspel van Oosterhoff bruusker, terwijl hij in de rest van de bundel discreter en subtieler te werk gaat, volgens het credo: ‘Het mag wel een tikje warmer abstracter; / het mag heel wat armer, maar warmer / dus beter.’ Armer of niet, in Ja Nee herbevestigt Oosterhoff de vitaliteit van zijn expressieve kracht.