Recensie

De onvoorspelbare kiezer

De veelheid aan partijen die deelnemen aan de verkiezingen van 15 maart a.s. wordt geduid als opnieuw een bewijs van de crisis waarin de democratie verkeert. In werkelijkheid valt het allemaal nogal mee, zo blijkt uit een aantal boeken over kiesgedrag.

Kiezers in Spijkenisse bij de campagne van Geert Wilders op 18 februari j.l. Foto Merlin Daleman

Wat een bijzonder land. Niet minder dan 28 partijen doen over een kleine drie weken mee aan de verkiezingen voor de Tweede Kamer, maar nog hebben de meeste kiezers de grootste moeite met het maken van een keuze. Welke partij absoluut niet is meestal wel duidelijk. Maar welke wel? De vele stemwijzers – er zijn er haast meer dan partijen – sturen één en dezelfde kiezer soms totaal verschillende kanten op. CDA of Piratenpartij, dat soort adviezen. Wat willen de partijen, is de vraag die in de verkiezingscampagne aan de orde is. Maar minstens zo interessant is wat de kiezer nu eigenlijk wil.

Overdaad in het land van de minderheden. Het is net als met die kolossale buffetten waar het aanbod zo groot is dat al dat eten eigenlijk alleen maar afstoot en het uitzoeken van wat echt smaakt onbegonnen werk is. Ga er maar aan staan: 28 partijen, van de VVD tot en met de Vrije Democratische Partij. De veelheid aan partijen is her en der aangeduid als opnieuw een bewijs van de crisis waarin de democratie zich bevindt. Het geheugen is vluchtig. In 1986, het land had de eerste vier jaar no nonsense beleid onder leiding van Ruud Lubbers (CDA) achter de rug, deden er eveneens 28 partijen aan de verkiezingen mee. En ook in 1971 telde het stembiljet voor de Tweede Kamer 28 partijen. Kortom, what’s new?

Het verschil is dat in 1986 van de 28 deelnemende partijen er slechts negen in de Tweede Kamer belandden. Dat zullen er dit jaar als gevolg van de verder versplinterde kiezersvoorkeur hoogstwaarschijnlijk meer worden. Ander verschil met dertig jaar geleden: toen waren de drie grote partijen CDA, PvdA en VVD die tevens de ideologische hoofdstromen vertegenwoordigden, samen goed voor 133 van de 150 Kamerzetels. Nu zijn er volgens de gegevens van de diverse peilingen minstens zeven partijen nodig om in de buurt van dat aantal te komen. De grootste partij bestaat niet meer. Het gaat om de grootste van de kleine partijen.

Hebben we daarom crisis, of is deze tenminste aanstaande? Nee, zegt politicoloog Tom van der Meer in zijn verfrissend en uitdagend geschreven pamflet Niet de kiezer is gek. Daarin stelt hij dat de Nederlandse representatieve partijendemocratie vanuit democratisch oogpunt ‘uitstekend functioneert’. Gelijk heeft hij. De kiezer is minder voorspelbaar geworden, lastiger dus voor de politieke partijen die van zijn of haar stem afhankelijk zijn, maar de kiezer laat wel conform de mogelijkheden die het systeem biedt, van zich horen.

De democratie werkt eigenlijk optimaal. Bijna elke stem telt. Geen winner takes all zoals in landen met een districtenstelsel, geen kiesdrempel die een minimum-percentage voorschrijft.

Nooit was de maximale evenredige vertegenwoordiging die Nederland sinds de invoering van het algemeen kiesrecht in 1917 kent, een probleem. Zeker, het is wel eens lastig al die één-, twee- of driemans- fracties die spreektijd in debatten opeisen, of anderszins van hun parlementaire rechten gebruik willen maken. Maar daar staat dan het grote goed tegenover dat haast iedereen vertegenwoordigd kan zijn. En dat is dan ook het geval. Van conservatief tot socialist, van dierenverdedigers tot en met hersteld hervormden die weer niet verward moeten worden met de vrijgemaakt gereformeerden die hun eigen partij hebben.

Zestien groeperingen kent de huidige Tweede Kamer na enkele tussentijdse afsplitsingen. Veel, maar het is relatief. De negen kleinste fracties bezetten gezamenlijk 14 zetels. Geen aantal dat in de weg staat van de bestuurbaarheid van het land.

Bestuurbaarheid

Die bestuurbaarheid komt in het gedrang doordat de klassieke grote partijen zijn gekrompen tot partijen van hoogstens middenformaat. Het maakt het altijd moeizame proces van coalitievorming nog moeilijker. De regeringscombinatie die na de verkiezingen van 15 maart verzekerd wil zijn van een meerderheid in de Eerste Kamer zal, gezien de getalsverhoudingen in dat huis die tot 2019 vastliggen, minstens vier partijen moeten tellen.

Is dat erg, of misschien zelfs wel catastrofaal zoals soms wordt gesuggereerd? Ook hier weer geldt dat het geheugen vluchtig is. Van de 29 Nederlandse naoorlogse kabinetten bestonden er elf uit minstens vier partijen. Twee daarvan, de kabinetten Biesheuvel en Den Uyl telden zelfs vijf partijen.

Ook hier weer vertekening: Wilders wordt niet groot; de anderen worden klein

De voorheen grote, of dominante partijen zullen zich moeten aanpassen aan de nieuwe, door het gespleten electoraat veroorzaakte verhoudingen. Zoals Tom van der Meer schrijft: ‘In een tijd van veranderlijke kiezers en politieke nivellering ondermijnt deze de structuur van de politieke competitie. Dit zal niet veranderen zolang politieke partijen blijven vasthouden aan de gedepolitiseerde bestuursstructuur, weigeren zich al voor de verkiezingen uit te spreken over mogelijke coalitiepartners en tegelijk hoge prioriteit geven aan de vorming van meerderheidscoalities.’ Kortom de partijen en hun functionarissen zijn het probleem, niet de kiezer.

Volgens het adagium dat de kiezer altijd gelijk heeft klopt dit, maar heeft de kiezer altijd gelijk? Toenmalig VVD-fractievoorzitter Hans Dijkstal durfde dat eind jaren negentig openlijk te betwijfelen. In een door hem geschreven bijdrage in de Volkskrant had hij het over Nederlanders die ‘lijden aan verwendheid en diva-gedrag’. De ‘eigen verantwoordelijkheid’ van mensen werd volgens Dijkstal in een ‘te zwaar opgetuigde verzorgingsstaat steevast over het hoofd gezien’.

Hij schreef zijn verhaal toen onder leiding van Wim Kok het tweede paarse kabinet van PvdA, VVD en D66 regeerde. In westerse democratieën werd de Derde Weg – de middenweg tussen socialistische planners en liberale marktpropagandisten – een begrip. Er werd gezocht naar een nieuw evenwicht en Dijkstal trok daaruit als volbloedliberaal de conclusie: ‘Als de samenleving niet maakbaar is, dan kan de overheid niet voor alles aanspreekbaar zijn. Politieke pretenties moeten daarbij aansluiten.’

Het is bijna twintig jaar na Dijkstals prikkelende woorden, er regeert onder leiding van Rutte weer iets paarsachtigs, maar de kiezer verwacht alleen maar meer van de overheid. Sterker nog, hij verwacht niet meer, hij éist. De politicus moet luisteren en leveren. Zo niet dan wordt hij genadeloos afgeserveerd bij de volgende verkiezingen. In de tussenliggende tijd wordt de in gebreke blijvende politicus bekogeld op het digitale schavot dat twitter heet. De belofte van toen verandert razendsnel in de verrader van nu. Dag Wouter, dag Job, dag Diederik.

Unox

De niet onmiddellijk bediende burger is een boze burger geworden. Althans zo lijkt het. Het is een bevolkingsgroep die in de publiciteit inmiddels mythische proporties heeft aangenomen zonder dat die met feitenmateriaal wordt gestaafd. Politiek vertaald is Geert Wilders hun man. Maar net als voor de andere partijen geldt voor zijn PVV dat deze ook slechts een middelgrote partij is. Volgens de recente peilingen schommelt de PVV nu rond de 17 procent, dat is nog 34 procent verwijderd van de absolute meerderheid. De massale aandacht voor Wilders, ook vanuit het buitenland, suggereert dat hij uitgroeit naar een niet te negeren spelbepaler. Maar de cijfers zeggen dat hij getalsmatig slechts één van de vele partijen is die straks bij coalitievorming dan ook gemakkelijk terzijde kan worden geschoven. Ook hier weer vertekening: Wilders wordt niet groot; de anderen worden klein.

Voor de komende tijd jaren lijkt Nederland zich te moeten schikken in een systeem waarbij misschien wel zeven of acht partijen een belangrijke rol in het bestuurlijk proces kunnen spelen. Het dwingt meer dan anders tot samenwerking. Er wordt heel wat over geconfereerd en over geschreven. Verrassende inzichten zijn er op het afgegraasde terrein nauwelijks te vinden. Je kunt vanuit de eigen discipline als ‘merkdeskundige’ er wel een eigen theorie op loslaten zoals Marc Oosterhout doet in zijn boek De kunst van het kiezen, maar wat moet je nu echt met vergelijkingen tussen PvdA en Hema of PVV en Unox? Een teveel aan aanbieders zal leiden tot een shake out, zegt hij de wetten van het bedrijfsleven na. Maar wat zegt dit nu? Hetzelfde bedrijfsleven kent immers een steeds perfecter systeem van backoffices en frontoffices, waarmee doelgroepen vanuit een gezamenlijk vertrekpunt afzonderlijk bediend worden.

Nietzsche

Zeker, de politicus is meer dan vroeger een product, nu er als gevolg van ont-ideoliogisering en individualisering nog maar zeer beperkt sprake is van vaste aanhang. Het jachtgebied voor de politicus is even groot als onberekenbaar. Kiezers zijn veranderd in consumenten waarop marketingtermen, zoals een ‘stukje beleving’ kunnen worden toegepast. Uitstraling en vertrouwen zijn kernbegrippen in de verkoop van de politicus.

Dit verklaart ook de populariteit van Wilders, die ook weer in deze verkiezingscampagne met zijn afwijkende geluid haast alle aandacht naar zich toe weet te trekken, hoewel hij slechts één van de spelers is. Het blijft fascinerend dat iemand als Wilders met zijn rabiate, vaak xenofobe maar bovenal compromisloze standpunten toch een flink deel van het electoraat weet aan te spreken. Hij appelleert aan onvrede, dat is duidelijk. Maar hij blijft volledig in gebreke wanneer het op leveren aankomt.

In zijn boek Wegen naar Wilders doet socioloog en bestuurskundige Koen Damhuis een poging tot verklaring van het fenomeen. Door gewoon de aanhangers op te zoeken en aan het woord te laten. Wie zijn toch die mensen die voor Wilders vallen? Damhuis had in totaal 64 gesprekken met PVV-stemmers of mensen die van plan waren dat te worden en voerde er uiteindelijk in zijn boek acht anoniem in monoloogvorm op in acht verschillende hoofdstukken. Hij sprak met lager opgeleiden die hun vertrouwde buurt zagen veranderen, maar ook met hoger opgeleide PVV-kiezers die met hem van gedachten wisselden over Nietzsche of Dalrymple. Zelfs de PVV- kiezer is niet meer in één hokje te vangen.

Om die diversiteit was het Damhuis te doen. Hij schetst drie hoofdwegen die naar Wilders leiden: verongelijktheid (‘anderen krijgen voorrang en nemen onze plaats in’), contributionisme (‘geen geld meer naar de Grieken, we betalen al genoeg van ons zuurverdiende geld’) en radicaal conservatisme (‘tegen de Europese Unie, tegen de toenemende invloed van de Islam’).

Deplorables

Voor een soortgelijke aanpak – mensen uitvoerig aan het woord laten met hun verhaal – kiest schrijver en journalist Joost Niemöller. Ook in zijn boek met de eenvoudige titel Kwaad komen anonieme mensen met PVV-sympathieën uit diverse lagen van de bevolking voor. Het verschil met Damhuis is dat Niemöller zelf ook kwaad is. Heel kwaad en ook al heel lang, zo weten de mensen die hem op twitter volgen. Dat leidt dan tot boze tussenzinnen in de gesprekken die Niemöller in zijn boek weergeeft: ‘Maar de slachtofferrol is in de media niet weggelegd voor de deplorables. Dat zijn misschien wel stakkers, maar dan vooral in de zin van verachtelijke stakkers’. Het zijn dit soort opmerkingen waarmee Niemöller zichzelf afficheert als niet serieus genomen slachtoffer die de vaak inzichtelijke interviews ontkrachten.

In tegenstelling tot Niemöller komt Damhuis wel tot een conclusie al is deze bescheiden. Volgens hem is zowel de weg van ‘de technocratische input’, als die van ‘een verabsoluteerde volksinput’ op den duur onhoudbaar. Er moet een middenweg gevonden worden. Maar hoe die er precies uitziet weet ook hij niet. Complex is het in elk geval wel, schrijft hij.

Maar misschien is het wel heel eenvoudig. Want elke kiezer geeft zijn eigen antwoord. Aan de gekozenen om er vervolgens iets van te maken. Op 15 maart mag er gestemd worden. ‘De kiezer heeft altijd gelijk’, is de veel gebruikte dooddoener van de politicus nadat op verkiezingsdag het oordeel is geveld. De kiezer? Welke kiezer?