Column

Reuzetrots op Nederland

Eindelijk leek ik antwoord te zullen krijgen op de vraag die ons Nederlanders de laatste jaren zo hevig kwelt: wat is onze nationale identiteit en in hoeverre wordt die bedreigd? Bij de EO-tv hadden ze voor het programma De tafel van Tijs vier gasten gevraagd om deze vraag te beantwoorden: Malik Azmani (VVD), Mona Keijzer (CDA), Sylvana Simons (Artikel 1) en Ron Meyer (SP).

Er ontstond een rommelig tafelgesprek dat alle kanten op ging en waarbij iedereen nogal snibbig aan zijn eigen gelijk vasthield. Misschien is dat wel het belangrijkste kenmerk van onze nationale identiteit anno 2O17: een zekere snibbigheid. Jij moet nu maar eens goed naar mij luisteren en als je dat niet wilt, dan pleur je maar op.

Ze waren allemaal reuzetrots op Nederland, maar ieder had daar zijn eigen redenen voor.

Mona Keijzer zei: „Vaderlandsliefde, koningshuis en met elkaar vaststellen dat er een christelijk fundament onder onze westerse beschaving ligt.”

De heidenen onder de kijkers kenden weer hun plaats: als ze nog iets van hun leven wilden maken, konden ze beter nog vandaag christen worden. Misschien zouden ze dan meer kunnen genieten van die heerlijke nationale identiteit, mits ze bereid waren het koningshuis te aanvaarden, inclusief de morele erfenis van prins Bernhard. Ook de islamitische nieuwkomers waren tamelijk hopeloze gevallen, want ze hadden de verkeerde godsdienst en hielden alleen maar van de koning van Marokko.

Als goede ankers voor onze nationale trots noemde Keijzer de Nederlandse vlag en het Nederlands voetbalelftal, waaruit bleek dat ze de laatste tijd te weinig naar de jongens van Danny Blind had gekeken. Wie daar nog trots op is, lijdt aan pathologisch narcisme, gecamoufleerd als vaderlandsliefde.

Ron Meyer was trots op Nederland omdat „vadertje Drees” destijds zo goed voor ons had gezorgd en omdat de SP de schoonmakers krachtig had gesteund in hun strijd voor betere arbeidsvoorwaarden. Waarmee hij wilde suggereren: allemaal vadertjes Drees, daar bij de SP. Hij noemde het „inclusieve trots, geen enge trots, geen nationalisme”.

Dat was weer een heel ander soort trots dan die van Malik Azmani, die onze nationale identiteit als volgt omschreef: „Een hardwerkend volkje dat niet veel klaagt, er is weinig hiërarchie, we houden van consensus, dat stukje poldermodel – typisch Nederlands, naast onze kernwaarden.”

Een hardwerkend volkje dat weinig klaagt? Lezen ze bij de VVD De Telegraaf niet meer? Of zouden ze tegenwoordig de PVV hardnekkig proberen te negeren? Daar heb ik weinig van gemerkt toen Wilders zich terugtrok uit het premierdebat en Rutte haastig zijn voorbeeld volgde.

Als de discussie nog niet rommelig genoeg is, rest er maar één mogelijkheid: Sylvana Simons het woord geven. Zij is altijd verongelijkt en vooral „verbijsterd”. Tegenover de „gezonde vaderlandsliefde” die Keijzer zich toedichtte, zette Simons haar gezonde nieuwkomersliefde. „Als Nederlandse sporters winnen, zijn we trots, maar als ze een kleurtje hebben en ze tegenvallen, dan zijn we niet meer zo trots.”

Voorbeelden graag, smeekte ik thuis, maar de discussie raasde alweer verder, zonder consensus, zonder poldermodel, kortom „typisch Nederland”.